Negotie

“Foei, wat is het hier kaal geworden”, hoorde ik mevrouw Frook in de onderzoekkamer zeggen terwijl ik op haar wachtte. Ze was slecht ter been, gevoelig voor decorum en trots op het feit dat ze de weduwe van een hoge ambtenaar was. Het was niet de bedoeling dat ik haar hoorde en de dochter deed “sst”, maar ze was doof en de deur stond halfopen.

Ik keek om me heen. De spreekkamer was schaars gemeubileerd en de muren waren wit gesausd. In dezelfde kamer had de antroposoof gehuisd, mijn voorganger. Hij had enkele maanden geleden de praktijk aan mij overgedragen. Toen ik met hem kennismaakte had ik het gevoel dat ik het prelatenvertrek van een kardinaal binnentrad. Er hingen iconen aan de wand, er lag een Perzisch tapijt op de grond en aan de muren waren kleden gedrapeerd. Een gepolitoerd mahoniehouten bureau stond prominent in het midden. Hij droeg een ouderwets gesteven hooggesloten doktersjas en rookte Egyptische sigaretten in een gouden pijpje. De tabak verspreidde een wierookachtige lucht die hardnekkig bleef hangen. Daar was mevrouw Frook een paar maanden geleden ontvangen. Bij zijn vertrek had hij zijn eigendommen meegenomen en na mijn komst had de kamer de weg terug afgelegd naar een kale ziekenhuiskamer. In de calvinistische soberheid stond ik op haar te wachten, vaag weerspiegeld door het raam, mager en gekleed in een witte jas die een maat te groot was.

Ik dacht aan de professor van wie ik het vak geleerd had. Hij was een Bourgondiër die neigde naar het sentimentele. Er hing een groot barok olieverfschilderij in zijn spreekkamer. De titel stond in zwarte letters op een verguld plankje eronder. De Barmhartige Samaritaan, heette het. De gespierde hulpverlener ondersteunde een uitgeteerde reiziger die in de berm lag. Hij gaf hem te drinken uit een gouden beker. Als prof zijn spreekuur hield, dan zat hij voor het schilderij en vormde een tweeëenheid met die Samaritaan.

Een paar weken later heb ik een bescheiden ets opgehangen. Mevrouw Frook viel het meteen op, “Aha, het wordt hier minder Nova Zembla”, zei ze. Het is een oude ets. Een kwakzalver die zijn negotie aanprijst. Hij danst bijna. De ets hangt naast mij aan de muur. Hij is maar klein, tien, vijftien centimeter, schat ik. Ze zou zich ver over mijn bureau moeten buigen om goed de afbeelding te kunnen zien. En op het eerste gezicht zie je ook niet dat het een kwakzalver is.