India heeft al kernwapens

De nieuwe regering van India gaat onderzoeken of het land kernwapens nodig heeft. India vreest voor nucleaire dreiging uit Pakistan, maar ook uit China.

ROTTERDAM, 19 MAART. Bij de ontwikkeling van kernwapens bevinden India en Pakistan zich al decennia in een gevaarlijke omarming, die waarschijnlijk al lang zou zijn beëindigd met ontwapening en wederzijdse inspectie (zoals wel door Pakistan voorgesteld) als India zich niet ook door China bedreigd voelde. Ook het Chinese nucleaire arsenaal houdt de nucleaire inspanning van India in stand. In feite waren het de grensoorlog met China in 1962 en de eerste Chinese kernexplosie van 1964, die India deden besluiten om het al sinds 1948 lopende nucleaire onderzoek een militaire component te geven. De latere conflicten met Pakistan over Punjab en Kashmir hebben het besluit extra steun gegeven.

De relatief vroege start van zijn kernwapenontwikkeling heeft India een grote voorsprong gegeven onder de Derde Wereld-landen. Het Verdrag tegen de verspreiding van kernwapens (NPV) werd pas in 1968 afgesloten en tot aan de eerste en enige geslaagde kernproef van India, in mei 1974, was men in het Westen algemeen van oordeel dat het mogelijk was om een scheiding tussen civiel en militair uranium-gebruik in stand te houden. De explosie van 1974 bracht een enorme schok teweeg: niet alleen bleek India, dat op dat moment zijn eigen bevolking niet kon voeden, bereid kapitalen uit te geven voor een kernwapen, ook had het land Westerse apparatuur, die in het volste vertrouwen was geleverd, in stilte misbruikt voor de produktie van een kernwapen.

In de aanloop naar de opstelling van het non-proliferatie verdrag (NPV) hadden zowel de Verenigde Staten als Canada bedongen dat de levering van twee kokendwater-reactoren door General Electric en twee zwaarwater-reactoren door Atomic Energy of Canada (AECL, 'Candu') aan de zogenoemde safeguard-controles van het atoombureau van de Verenigde Naties, IAEA, werden onderworpen. Maar de 40 megawatt-grote onderzoeksreactor (de Cirus-reactor) die AECL al in de jaren '50 had geleverd, stond niet onder IAEA-controle. Achteraf is gebleken dat het plutonium uit deze reactor door India is gebruikt voor haar 'vreedzame' proefexplosie.

In reactie op de explosie beëindigden de VS elke nucleaire levering en verbond Canada deze, zoals het NPV ook voorschreef, voortaan aan IAEA-controle. Ook van de zijde van Frankrijk (dat toen nog geen NPV-lid was) en de Sovjet-Unie is na 1974 waarschijnlijk niet veel steun meer gegeven. Het was ook niet meer nodig. India, dat evenals Pakistan nog steeds geen NPV-lid is, was op tijd self supporting geworden. Het land heeft eigen uraniumvoorkomens en kan in eigen fabrieken voldoende zwaarwater produceren voor de zwaarwaterreactoren die natuurlijk, onverrijkt uranium versplijten. Op eigen kracht voegde India zes van zulke reactoren toe aan de twee van AECL.

Overigens wordt ervan uitgegaan dat het land voor zijn kernwapens nog steeds voornamelijk steunt op het plutonium dat ontstaat in de onderzoeksreactoren: de nog steeds werkende Cirus-reactor en de nòg grotere Dhruva-reactor, die volgens hetzelfde principe werkt.

Voor de terugwinning van plutonium uit de opgebrande splijtstof bouwde India een grote opwerkingsfabriek (naar Franse snit) in de directe omgeving van de reactoren bij Trombay, waar zich het nucleaire centrum BARC bevindt. Afgezien daarvan worden er proeven genomen met kweekreactoren (die extra veel plutonium vormen) en met uraniumverrijking.

Of India ook werkelijk kernwapens bezit, is onduidelijk. In 1990 verklaarde de leider van het Indiase atoombureau, P.K. Iyengar, dat India desgewenst “binnen een paar weken” een wapen gereed kon maken. Met andere woorden: India heeft zijn wapen eigenlijk al. De Amerikaanse inlichtingendienst CIA hield het er in 1993 in een verklaring voor de Amerikaanse senaat evenwel op, dat India nog geen wapen gereed had. Deskundigen van het SIPRI in Stockholm schatten in 1995 dat India genoeg plutonium voor 80 kernbommen bezat. Afgezien van bommenwerpers zou Pakistan te bestoken zijn met middellange afstands raketten van het type Prithvi.

Ook Pakistan bezit, volgens het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, zo'n 15 tot 25 niet volledig geassembleerde kernbommen die 'binnen enige uren' gereed kunnen zijn. Pakistan bewandelde de high tech weg naar de bom: het kreeg de verrijking van uranium volgens het Urenco-procédé onder de knie (met hulp van Abdul Quadeer Khan die tussen 1971 en 1975 in Nederland werkte, onder meer bij Urenco) en bouwde een grote verrijkingsfabriek bij Kahuta. De noodzakelijke hoeveelheid natuurlijk uranium betrok het land met hulp van Libië van Niger.

Inmiddels is ook een opwerkingsinstallatie in bedrijf, die plutonium terugwint uit de opgebrande splijtstof van de enige (Chinese) kernreactor die het land bezit. Deze reactor staat niet onder IAEA-controle.

    • Karel Knip