Herleven

naam: J.B.W.M. Möller leeftijd: 74 jaar transplantatie van: nier in 1991 beroep: bisschop van Groningen

“Iedereen zou donor moeten zijn. Of moeten..., het zou mooi zijn als iedereen het zou worden. Ik vind het een Goddelijke opdracht het lijden van anderen te helpen verlichten. En als donor doe je dat. Daarom ook geef ik dit interview. Niet om over mezelf en mijn gezondheid te praten, want dat doe ik niet graag. Maar om uit te dragen hoe belangrijk het is dat iedereen zijn organen na zijn dood beschikbaar stelt. “Ik had al jaren slechte nieren. In 1971 openbaarde die aandoening zich voor het eerst. Ik had hoge bloeddruk, was chronisch moe en ging slechter zien. Ik werd ook magerder en ging er geel uitzien. In 1990 lieten mijn nieren het volledig afweten en onderging ik nierdialyse. Drie dagen per week werd ik vier uur achtereen gespoeld. Daarna was ik ziek en doodmoe. Als je jarenlang dialyse krijgt, kun je erg verzwakken. De artsen vroegen of ik in aanmerking wilde komen voor transplantatie. Ik zei meteen ja. Lijden en sterven horen bij het leven, maar wij hoeven het lijden niet te zoeken. Ik was niet aan mijn ziekte gehecht. “Ik weet nog dat ik 's avonds met een preek bezig was toen de telefoon ging. Binnen een uur lag ik in het ziekenhuis. Tegen de operatie zag ik niet erg op. De meeste niertransplantaties slagen wel. Na vier uur kwam ik bij en ik dacht: hier ben ik weer. Maar daarna werd ik erg ziek. Ik heb een jaar met complicaties in het ziekenhuis gelegen. De nieuwe nier moest aan mijn lichaam wennen. Biologisch wordt het nooit je eigen nier.

Het blijft vreemd weefsel. Gelukkig kreeg ik geen afstotingsverschijnselen. Na enige tijd ging ik me geleidelijk aan beter voelen. “Ik heb geboft. Ik stond iets meer dan een jaar op de wachtlijst; de meeste mensen wachten veel langer. En de donornier paste uiteindelijk heel goed bij mij. Ik voel me heel goed. Daar ben ik dankbaar voor. Dankzij de transplantatie heb ik een nieuw leven gekregen. “Transplantatie is niet een kwestie van in leven gehouden worden. Het is niet overleven, maar hèrleven. Twintig jaar geleden was ik aan deze nierziekte doodgegaan. De ontwikkeling van de wetenschap die ik als door God gegeven beschouw, is steeds verder gegaan. De geneeskunde is een zegen voor de mens. Ik ben dus blij dat ik in deze tijd leef. “De rooms-katholieke kerk staat positief tegenover orgaandonatie. Je lichaam heb je van God gekregen en is niet voor jezelf alleen. Het nalaten van donororganen beschouw ik dan ook als een daad van naastenliefde. “Ik weet niet wiens nier ik nu heb. Ik ben daar ook niet nieuwsgierig naar. Het is goed dat ik het niet weet, het zou psychisch gezien moeilijkheden kunnen geven. Er is me alleen gezegd dat het geen Nederlander is. Ik bid wel eens voor het zieleheil van die persoon. Dat het hem of haar - ik weet niet of het een man of vrouw was - goed mag gaan. Want ik ben diegene erg dankbaar.”