Een vrije kwestie

DE TWEEDE KAMER heeft zoals verwacht ingestemd met het voorstel van het kabinet om speciale, gemengde toetsingscommissies in te stellen voor euthanasie. Deze moeten als een soort buffer fungeren tussen arts en justitie. De echte discussie ging gisteren over een heel ander, verdergaand plan: het voorstel van het Kamerlid Van Boxtel (D66) om de strafwet aan te passen.

Een duidelijke tekst is er nog niet, wat de gewenste maatschappelijke gedachtewisseling niet direct bevordert, maar de gedachte kreeg een warm onthaal van de coalitiepartners plus Groen Links.

Deze snelle politieke steun roept een dubbele vraag op: waarom pas nu, zo vlak voor de verkiezingen, en waarom een parlementair initiatief en geen kabinetsvoorstel? Het tijdstip valt natuurlijk niet helemaal los te zien van de beroerde uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen voor D66. Maar deze partij heeft in elk geval oude papieren als het om de legalisering van zorgvuldige euthanasie gaat. In 1984 diende zij al een initiatief in dat aanvankelijk ook de steun van de VVD verwierf hoewel die toen met het CDA regeerde. Pas onder coalitiedruk werd die steun ingetrokken en sneefde het D66-initiatief eervol.

WAAROM HEEFT het paarse kabinet dit thema dan niet direct opgepakt? Het doorbreken van het confessionele machtswoord vormt immers zo ongeveer het bestaansrecht van deze combinatie. Toch beperkte het regeerakkoord zich tot een evaluatie van het CDA-VVD-compromis dat de oplossing zocht in een aangepaste meldingsprocedure voor de arts. In deze terughoudendheid zagen sommigen de hand van premier Kok, die grote scepsis over wetswijziging heet te hebben, maar het is ook een teken dat de scheidslijnen bij dit gevoelige vraagstuk niet gebonden zijn aan de oude zuilen.

De evaluatie is inmiddels voltooid. Het aantal meldingen blijkt in de periode 1990-1995 te zijn verdrievoudigd, maar de meldingsbereidheid vertoont nog steeds een ernstige lacune. Een op de acht artsen zegt zelfs nooit een geval van euthanasie te zullen melden omdat dit iets is tussen arts en patiënt. Dat is een fundamenteel verkeerde opvatting, want de samenleving heeft wel degelijk boodschap aan het respect voor het recht op leven van ieder mens. De evaluatie onderstreepte tegelijk de toenemende spanning tussen het krampachtig vasthouden aan de bestaande strafwet, terwijl in de praktijk straffeloosheid systematisch wordt toegelaten.

Het strafrecht heeft de rechtsontwikkeling in de laatste twintig jaar goed gediend. De rechter heeft de wet opengebroken. Maar nu begint de jurisprudentiële aanpak toch uitgewerkt te raken. Formeel worden alle gemelde gevallen (circa 2.000 per jaar) getoetst aan het begrip “overmacht”. Dat is bedoeld voor onvoorzienbare situaties en kan dus niet als instrument van beleid dienen, zo waarschuwde het kabinet bij een andere gelegenheid. Toch blijft dezelfde ministerraad wetswijziging voor euthanasie afwijzen zolang de meldingsprocedure geen “volledige toetsbaarheid” van het medisch handelen heeft opgeleverd.

DIT IS GEEN antwoord op de dringende vraag om een strafwet die beter past bij de noden van de tijd. De toetsingscommissies dreigen de fundamentele tweeslachtigheid die het euthanasiebeleid kenmerkt alleen maar te bestendigen, al maakt het wel verschil welke stijl zij zullen kiezen. Wordt deze repressief en afgemeten, of meer gericht op discussie met een bredere kring van betrokkenen? De nadruk ligt tot dusver wel erg op “de schil om de patiënten heen”, zoals het Kamerlid Oudkerk, zelf arts, het eens typeerde. Nog te weinig is er aandacht voor de overwegingen, de wensen en ervaringen van de eerstbetrokkenen: patiënten en nabestaanden.

Het voornaamste obstakel voor melding blijft echter in stand, de vrees voor strafvervolging. Ook al heeft deze in de praktijk vrijwel nooit plaats. Er is met andere woorden een handhavingssysteem dat goed in staat is die gevallen boven water te halen waarin niets aan de hand is, heeft de rechtssocioloog Griffiths opgemerkt. Houdt men zo zichzelf niet alleen maar voor de gek?

De moeilijkheid is dat de bescherming van het recht op leven, dat de grondslag dient te zijn van elke euthanasieregeling, het nooit helemaal zonder het strafrecht zal kunnen stellen. Een algemene “medische exceptie” gaat principieel te ver. Daar is het Van Boxtel, als wij het goed begrijpen, dan ook niet om begonnen. Hij wil zich beperken tot een omkering van de strafrechtelijke bewijslast. Niet de arts moet aantonen dat hij zorgvuldig heeft gehandeld, zoals thans nog het geval is, maar de officier van justitie dat de arts de zorgvuldigheidsnormen heeft geschonden.

EEN BEHEERSTE aanpassing van de strafwet zal zeker op steun kunnen rekenen bij de rechtsgenoten. Bij deze beheerstheid past dat het in politiek opzicht een vrije kwestie is, die niet bij de komende kabinetsformatie achter gesloten deuren wordt beslist. Onder die doem heeft het euthanasievraagstuk al te lang geleden.