'De burgers vluchtten als we eraan kwamen'

De rebellen van het Zuid-Soedanese SPLA zeggen dat ze democratischer zijn geworden dan vroeger, en de mensenrechten meer respecteren. “Vroeger was het SPLA 50 procent slecht, tegenwoordig nog maar 20 procent.”

YEI, 19 MAART. Yvonne drukt zich dicht tegen me aan en slaat haar armen om mijn middel. “Kus me, laat me niet alleen vanavond”, fluistert ze, “neem me mee uit deze kazerne. Ik ben bang.” Honderdvijftig officeren van het Soedanese Volksbevrijdingsleger (SPLA) kijken gretig naar de acht meisjes die hun feestje komen opluisteren. “Ze haalden ons vanmiddag op in Yei en geboden ons te komen feesten. Ik heb dit eerder meegemaakt, ik weet wat ons vannacht te wachten staat.” Oude gewoonten slijten langzaam.

Het SPLA, dat sinds 1983 vecht voor de bevrijding van Zuid-Soedan, heeft zijn leven gebeterd, zeggen de rebellenleiders. “We luisteren nu naar de burgers voor wie we vechten”, verkondigt Daniël Awet Akot, 'minister' van het SPLA belast met het opzetten van burgerstructuren. “Ik zeg niet dat er geen misstanden meer zijn, maar de situatie is verbeterd. Vroeger was het SPLA 50 procent slecht, tegenwoordig nog maar 20 procent. Kinderen worden niet meer in het SPLA gedwongen, critici niet meer gearresteerd en burgers niet door militairen berecht. Losbandige krijgsheren zijn aan banden gelegd.”

'Minister van Informatie' John Luk praat eveneens over een hervormd SPLA. “Op onze grote conventie van 1994 besloten we tot een belangrijke koerswijziging. We zijn nu democratischer, minder tribalistisch en respecteren de rechten van de mens. Het SPLA heerst niet meer over een politiestaat in de bush.”

Militair behoort het SPLA tot de meest geslaagde verzetsbewegingen van Afrika. Tot 1990 controleerden de rebellen een gebied in Zuid-Soedan zo groot als Frankrijk. Begin jaren negentig volgde weliswaar een periode van grote tegenslagen, maar nu zijn ze opnieuw heer en meester over een groot grondgebied. Beduidend minder geslaagd is het SPLA als politieke beweging, die burgers in bevrijd gebied organiseert en alternatieve bestuursstructuren opzet. Hoewel vermoedelijk het overgrote deel van de Zuid-Soedanezen de aspiraties van het SPLA voor zelfbeschikking van het zuiden ondersteunt, hebben zij hun bevrijders nooit omarmd. De SPLA-strijders stalen niet zelden van burgers en konden vaak niet van de vrouwen afblijven. “Het SPLA wist uiteindelijk niet de harten van de bevolking te winnen”, erkent een hoge functionaris. “De burgers sloegen op de vlucht als we eraan kwamen.”

Bij de oprichting van het SPLA in 1983 in het naburige Ethiopië kregen de militairen de overhand. Onder invloed van zijn mentor, de toenmalige militaire leider van Ethiopië Mengistu Haile Mariam, werd de civiele vleugel gemarginaliseerd. Ieder SPLA-lid moest een militaire training ondergaan, salueren en een uniform dragen.

SPLA-leider John Garang liet dissidenten opbergen, in Ethiopische gevangenissen of in diepe kuilen in Soedan. Kinderen werden onder dwang gerecruteerd en afgevoerd naar militaire trainingskampen in Ethiopië. Internationale organisaties voor de rechten van de mens rapporteerden over grove misstanden in SPLA-gebieden. In 1988 begonnen intellectuelen binnen het SPLA te agiteren voor meer democratie in eigen gelederen.

De interne spanningen kwamen eind 1991 tot een uitbarsting toen een groep SPLA-commandanten in opstand kwam tegen Garang en opriep tot hervormingen. “We vroegen ons af of het SPLA bomen aan het bevrijden was of mensen”, zegt John Luk die zich destijds bij de dissidenten aansloot. “Het SPLA deed niets voor de mensen die we hadden bevrijd.” Niet zozeer de splitsing zelf als wel de gevechten tussen de SPLA-eenheden die erop volgden, leidden tot een diepgaande herbezinning in de beweging. De militaire leiding, inclusief John Garang zelf, kreeg zware kritiek te verduren tijdens een serie politieke bijeenkomsten in SPLA-gebied. Toen werd besloten tot de oprichting van een Nationale Bevrijdingsraad, een soort parlement, en bestuursraden voor regio's, districten en subdistricten. “Vroeger hadden de commandanten alles voor het zeggen, nu gaan burgerbestuurders de dienst uitmaken”, voorspelt 'minister' Akot.

Het nieuwe SPLA staat nog in de kinderschoenen. Yei is de bestuurszetel van SPLA-gebied. Het eens relatief goed ontwikkelde Yei maakt een verlaten indruk. Vrijwel alle winkels zijn dichtgetimmerd. In de stoffige straten lopen meer geiten dan mensen. Alleen het districtshospitaal functioneert, vooral dankzij de inzet van een buitenlandse hulporganisatie. Waar zijn de handelaren, de scholen, de politieke bijeenkomsten? “Het komt allemaal heel langzaam op gang”, beaamt een SPLA-functionaris. “SPLA-militairen stalen na de inname van de stad, vorig jaar, wat de terugtrekkende regeringstroepen nog niet hadden geplunderd. Handelaren zijn nog huiverig om terug te komen.”

In het gehucht Bor Ombasa vertelt bestuurder Henry Steven Donga over de organen die hij hielp opzetten. Enkele politieagenten kregen een opleiding, traditionele hoofden spreken samen met een magistraat recht en dieven gaan een gevangenis in. “Al deze structuren staan los van het leger”, onderstreept Henry. “We innen belasting op de markten en van handelaren.” Economische activiteiten, behalve de teelt van voedsel voor eigen behoefte, zijn er nauwelijks bij Bor Ombasa. De berooide Zuid-Soedanezen blijken gewend te zijn geraakt aan de voedselhulp van buitenlandse organisaties.

Het SPLA ging in zaken, om economische mogelijkheden te scheppen voor burgers. In een joint venture met een Zuid-Afrikaans bedrijf wordt rond Yei teakhout gekapt. Er werken 50 werknemers. Een Israelische onderneming sloot een contract om goud te winnen in de rivier de Yei, een project dat na twee jaar wordt overgedragen aan mensen uit de omgeving. “Als we eerder waren begonnen met het organiseren van de bevolking en het opzetten van economische en civiele structuren”, verzucht een SPLA-functionaris, “dan had de oorlog misschien niet zo lang hoeven duren, dan had de bevolking het SPLA verdedigd tegen de vijand. In de huidige fase van de strijd is wat er aan het front gebeurt minder belangrijk dan wat er zich achter de frontlinie afspeelt. Als er nu in een vrij Zuid-Soedan verkiezingen zouden worden gehouden, zou de bevolking het SPLA bedanken voor de bevrijding, maar op een andere partij stemmen.”

Het voorbeeld voor Zuid-Soedan is Eritrea, waar de opstandelingen van het Volksbevrijdingsfront destijds een indrukwekkend netwerk van scholen, garages, ziekenhuizen en fabriekjes opzetten. Eritreërs trokken vrijwillig naar bevrijd gebied. Eritrese films uit die tijd worden nu in SPLA-gebied vertoond.

Wil tot verandering lijkt aanwezig in het SPLA; de militaire vleugel rond John Garang heeft invloed verloren. Er is veel meer openheid in de gelederen dan vroeger. Militaire leiders kunnen echter gemakkelijk in hun oude gewoonten vervallen. Hernieuwde militarisering kan alleen worden bestreden door mondige en opgeleide burgers, en aan hen is in het zwaar onderontwikkelde Zuid-Soedan een chronisch gebrek. Veel intellectuelen verkozen een ballingsoord in het Westen boven een rol in het gemilitariseerde SPLA.

Een hele generatie jongeren genoot geen onderwijs sinds het uitbreken van de oorlog. “Kinderen willen niet eens meer naar school”, zegt een SPLA-functionaris. “Dat is het gevolg van de militarisering. Kinderen willen alleen nog maar vechten, want eris niets anders. Daar moet dringend verandering in komen. We betalen een hoge prijs voor onze fouten.”