Bezinning; Vragen over een gat in de aura

De donorcampagne van de overheid reduceert de mens tot machine, vindt de Stichting Bezinning Orgaandonatie. Over een antroposofische visie.

BIJ DE BOEKENTAFEL staat een mevrouw, haar handen ballen zich tot vuisten en ze zegt: “Ik ben zó kwaad.” Die boosheid dateert al van een paar maanden terug, toen zij kennis nam van de nieuwe Wet op de orgaandonatie. Uit niets bleek haar dat de wetgever rekening had gehouden met de mogelijkheid dat de mens meer is dan een machine die op onderdelen is te vervangen. De vrouw ging op zoek naar medestanders om zich te verweren tegen een overheid die meende haar ongevraagd brieven te mogen sturen met impertinente vragen over leven en dood. Bij de Stichting Bezinning Orgaandonatie (SBO) vond ze gelijkgestemden.

Onder de titel 'Orgaandonor? Wéét wat je kiest?' hield de stichting zaterdag een symposium waarop onder meer twee antroposofische artsen hun mensbeeld mochten toelichten en een aantal patiënten hun slechte ervaringen met orgaandonatie kon vertellen.

De stichting heeft grote bezwaren tegen het hersendoodcriterium. “Een hersendode is niet dood, hij is stervende”, zegt voorzitter Ger Lodewick. Tal van lichamelijke functies zijn nog niet uitgevallen. Een hersendode mens ademt nog, zijn stofwisseling werkt nog, de vorming van bloedcellen gaat door en de lichaamstemperatuur blijft op peil. Nu wordt een hersendode per definitie kunstmatig in leven gehouden (een hersendode buiten de intensive care van een ziekenhuis bestaat niet), maar dat is volgens Lodewick niet wezenlijk. “Essentieel is dat er nog levenskracht in dat lichaam aanwezig is, het is namelijk onmogelijk een stoffelijk overschot te beademen. Maar die kracht, die zich overal ter wereld manifesteert in de levenscyclus van geboorte, groeien, bloeien, gedijen, aftakelen en doodgaan is niet te meten, dus kan de medische wetenschap er niets mee. De wetenschap heeft het omgedraaid: hersendood is te meten, dus stelt zij hersendood gelijk aan de dood.”

Vlak voordat hij de zaal zal toespreken, zegt Erwin Kompanje dat hij “hier een vreemde eend in de bijt” is. Hij promoveert deze zomer bij de vakgroep medische ethiek aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op een onderzoek naar de ethische aspecten van postmortale orgaandonatie. Op het symposium zal Kompanje een 'empirisch verhaal uit de reguliere geneeskunde' afsteken. Als enige spreker zal hij dia's vertonen. “Die zetten mensen meteen weer met beide benen op de grond.” Hij legt de zaal vooral uit wat hersendood inhoudt - het criterium waarmee een mens volgens de wet dood is.

Kompanje laat de zaal dia's zien van een vrouw van wie de grote hersenen zijn afgestorven. Als verdroogde takken liggen haar armen over haar borst, haar hoofd vertoont vergroeiingen, ze heeft een verwilderde blik in de ogen. De dia's illustreren Kompanjes visie dat de totale hersendood (waarbij ook de kleine hersenen en de hersenstam niet meer functioneren) voldoende dood is om een persoon als dood te beschouwen. Dat is de opvatting die in tal van landen in de wet is verankerd sinds een commissie aan de Harvard Universiteit eind jaren zestig bepaalde dat de mens als dood is te beschouwen als de hersenen onherstelbaar zijn beschadigd. Het maakte hersendode patiënten tot de ideale orgaandonoren: ze zijn dood, maar hun organen functioneren nog.

“De persoonlijkheid is een functie van de hersenen: als de hersenen dood zijn, bestaat de persoon niet meer, ook al zijn de lagere functies nog intact”, verwoordt Kompanje de gangbare opvatting in de medische wetenschap.

Antroposofisch arts Arie Bos denkt daar heel anders over: “Mensen die holistisch denken, gaan ervan uit dat er 'iets' boven de materie staat, een levensprincipe. Dit levensprincipe zit in elk orgaan en het verlaat het lichaam als een mens sterft. Op deze opvatting rust een wetenschappelijk taboe - het is in tegenspraak met de evolutietheorie en de moleculaire biologie.”

Volgens Bos zijn sommige mensen tegen orgaandonatie omdat bij een hersendode het levensprincipe het lichaam nog niet heeft verlaten. Hij voegt eraan toe dat hij zelf niet weet of het verwijderen van organen uit een hersendode 'erg' is, maar vindt het gangbare mensbeeld wel te veel dat van “een machine met hersens die gedrag produceren”.

Zijn betoog valt bij de zaal in vruchtbare aarde en leidt tot vragen als: “Ontstaat er geen gat in de aura van iemand die bij leven een nier afstaat?” Bos denkt van niet, het 'transcendente lichaam' (volgens de antroposofie een geestelijke blauwdruk van het aardse lichaam) vormt een geheel en blijft intact als iemand een nier afstaat.

Ger Lodewick zegt dat het mensbeeld van de stichting overeenstemt met de visie van Arie Bos. Het is dit mensbeeld dat hem er persoonlijk van weerhoudt orgaandonor te worden. “Een mens bestaat uit lichaam, ziel en geest. Ik wil niet dat in mijn stervensproces wordt ingegrepen.” Overigens spreekt de stichting zich niet uit voor of tegen orgaandonatie - al is het respecteren van het stervensproces waartoe zij oproept onmogelijk te verenigen met het donorschap.

De stichting is zeer gekant tegen de voorlichtingscampagne van de overheid, Lodewick noemt het “alleen maar hallelujaverhalen”. De reclamespots zouden alleen de positieve kanten van transplantatie laten zien, zonder te verwijzen naar de negatieve: de afstoting van het orgaan, het levenslang medicijnen moeten slikken en de bijwerkingen daarvan. Ook vindt de stichting het kwalijk dat de donor onderbelicht blijft. Het grootste bezwaar geldt het presenteren van de hersendood als het definitieve einde van het leven, zonder te melden dat daar andere visies op bestaan.

Dian Herpin, die speciaal voor de campagne van het ministerie van VWS als 'projectmanager voorlichting' is aangesteld, is naar het symposium gekomen om de bezoekers van repliek te dienen. “Het is altijd het standpunt van de overheid geweest zich niet in ethische discussies omtrent orgaandonatie te mengen. Wij geven de laatste stand van medische wetenschap door en de wettelijke bepalingen die zijn aangenomen door de Tweede Kamer. Daarover moeten we 12,2 miljoen Nederlanders voorlichten, en dat kan niet anders dan massamediaal.”