'Allochtone kinderen pikken 't niet meer'

De opvoeding binnen Marokkaanse en Surinaams-Creoolse gezinnen in Nederland is aan het veranderen. Meer praten, minder straffen is nieuw. Beleefd blijven en respect hebben voor ouderen niet. De resultaten van een onderzoek.

ROTTERDAM, 19 MAART. Een Marokkaanse moeder was bang dat haar zoon in aanraking zou komen met slechte vrienden en ging hem stiekem volgen. In de schoolpauze verstopte ze zich achter bomen en struiken om te zien met wie hij omging. Daar kreeg ze spijt van: “Het was achteraf gezien een beetje stom van mij. Want kinderen kun je niet voor honderd procent controleren. Je moet een vertrouwensband met je kinderen hebben en ze het gevoel geven dat ze met hun problemen bij je terecht kunnen.”

Veel Marokkaanse en Surinaams-Creoolse ouders hebben ambivalente gevoelens over opvoeding, zo blijkt uit twee onderzoeksrapporten die de Stichting Jeugdinformatie Nederland vanmorgen heeft gepresenteerd. Trees Pels en Marjolijn Distelbrink, beiden verbonden aan het Instituut voor Sociologisch-Economisch Onderzoek van de Erasmus Universiteit, onderzochten opvoedingsdoelen en -praktijken in respectievelijk Marokkaanse en Creoolse gezinnen.

“Ons doel was een beeld te geven van de opvoeding in doorsnee-gezinnen”, vertelt Trees Pels. Daartoe hebben de onderzoekers eerst een aantal intensieve gesprekken gevoerd met de opvoeders uit zestien Marokkaanse en zeventien Creoolse gezinnen, voornamelijk de moeders. Pels: “Omdat we vaker terugkwamen, konden we ook kijken hoe het er in de praktijk aan toeging. Zo aten we soms mee, maakten we feesten en familiebezoeken mee en gingen we soms met de moeders de kinderen van school halen.” Vervolgens ondervroegen ze een groter aantal gezinnen.

De doelen die de Marokkaanse en Creoolse opvoeders nastreven, bleken sterk overeen te komen. Het presteren op school en in de maatschappij was voor beide groepen zeer belangrijk. Dit in scherp contrast met de autochtone ouders, die dit streven onderaan hun lijstje zetten. Daarbij zijn die doelen beslist niet statisch. Pels: “Tien jaar geleden stond bij de Marokkaanse ouders conformeren en aanpassen nog bovenaan het lijstje, zoals blijkt uit eerder door mij verricht onderzoek.”

Een verandering die volgens Pels in de praktijk vooral zichtbaar is in de opvoeding van Marokkaanse meisjes: “Tien jaar geleden moesten ze vaak thuisblijven, of mochten ze alleen naar een meisjesschool. Tegenwoordig zijn de aspiraties hoog, waardoor het kan voorkomen dat binnen één gezin de oudste dochter analfabete is en de jongste naar de universiteit gaat.” Ook wordt het buitenshuis werken door moeders nauwelijks nog afgewezen. Een Marokkaanse moeder zei: “Mijn ouders maakten toch wel een onderscheid tussen jongens en meisjes bij een opleiding of partnerkeuze. Dat doen wij niet.” Deze “dramatische ommezwaai” heeft volgens Pels grote praktische gevolgen. Ze verwacht binnenkort een enorme toestroom van Marokkaanse vrouwen op de arbeidsmarkt.

De veranderingen op dit vlak zijn bij de Creolen minder spectaculair, vertelt Distelbrink: “Creoolse vrouwen zijn traditioneel vaak verantwoordelijk voor de opvoeding èn het kostwinnerschap. Vandaar dat de meisjes altijd al op een zelfstandig bestaan werden voorbereid. Dat worden ze nog steeds, maar moeders zien dit zeker niet als ideaal en wijzen jongens ook op hun verantwoordelijkheden. Ze hopen dat hun zonen als vader emotioneel en praktisch meer betrokken zullen zijn dan hun eigen vaders en (ex-)partners.”

Beide sexen werken tegenwoordig mee in huis, maar de huishoudelijke taken zijn minder omvangrijk dan vroeger in hun eigen jeugd, veelal in Suriname. Distelbrink: “Moeders willen dat hun kinderen meer genieten van hun vrije tijd.”

Daarbij wordt er in Marokkaanse en Creoolse gezinnen steeds meer gepraat en onderhandeld. Pels: “De autoritaire manier van omgang is op de terugweg. Kinderen worden betrokken bij beslissingen als de schoolkeuze. Praten, redeneren en een goede persoonlijke verhouding tussen moeder en kind worden steeds meer gezien als een deel van de opvoeding. En de kinderen eisen ook meer onderhandeldingen.” Zo groeide volgens Pels een tweeslachtige houding ten opzichte van de lijfstraf: “Er is ongemak ontstaan over het slaan. Vroeger was dat een positieve sanctie, één die het ouderlijk gezag bevestigde en hielp bij het opvoeden. Tegenwoordig gaan er verhalen dat de buren de kinderbescherming bellen als je slaat. De kinderen pikken het ook niet meer.”

Een deel van de ouders voelt zich onzeker in deze nieuwe situatie. Dit geldt wat sterker voor de Marokkaanse opvoeders dan voor de Creoolse. Pels: “Het combineren van een opvoeding volgens de islamitische richtlijnen met de eisen van deze tijd is voor veel Marokkaanse moeders een groot probleem. Hoe sta je je kinderen mondigheid toe zonder dat ze hun respect voor hun ouders verliezen? Die onzekerheid spitst zich vaak toe op de puberteit. Ze vrezen dan de greep op hun kinderen kwijt te raken, en zijn bang dat ze weglopen of in de kleine criminaliteit belanden. Iets wat in ons onderzoek overigens maar bij een kleine minderheid van de gezinnen voorkwam.”

De angst om de greep op de tieners te verliezen, is in Creoolse kring volgens Distelbrink wat minder groot. Wel houdt het mogelijke verlies van beleefdheid en respect voor ouderen de gemoederen bezig.

Daarbij zien Creolen noch Marokkanen de omringende maatschappij als een lichtend voorbeeld. Distelbrink: “De Nederlandse opvoeding vinden ze veel te informeel. Die is volgens hen veel te ver doorgeslagen.” De ouders zien hun veranderende opvoedingspraktijken dan ook niet in de eerste plaats als een aanpassing aan de Nederlandse situatie. Pels: “Eerder een aanpassing aan de eisen van de tijd. Ze wijzen er op, dat je in Marokko en Suriname dezelfde ontwikkelingen ziet.”