Wijers, zijn voorgangers en de steun aan Philips

Minister Wijers heeft de Kamer gisteren meegedeeld dat de steun aan Philips veel lager is dan eerder door deze krant gemeld. Over definities, interpretaties en voorgangers.

DEN HAAG, 18 MAART. Hoe ontstaat een verschil van twee miljard gulden op een totaal van “4,2 miljard” Philips-steun?

In de brief die minister H. Wijers (Economische Zaken) gisteren aan de Tweede Kamer verstuurde plaatst hij op verschillende onderdelen kanttekeningen bij de grootte van het steunbedrag voor Philips, dat deze krant vorige week vrijdag publiceerde. Hieronder worden de kanttekeningen van Wijers gelegd naast die publicatie.

Eerst het algemene beeld. NRC Handelsblad berichtte dat de minimale Philips-steun in zestien jaar (de periode 1982-1997) uitkwam op 4,1475 miljard gulden. De minister vat dat samen als “4,2 miljard” - een verhoging door de minister met 52,5 miljoen gulden.

De 4,1475 miljard was opgebouwd uit twee bedragen: a) 3,010 nationale steun, en b) 1,1445 subsidie afkomstig van de Europese Commissie en andere Europese landen. Op dit tweede bedrag gaat de minister niet in. Dit blijft aldus onweerlegd.

De verschillen bestaan dus slechts over het eerste bedrag, de gepubliceerde nationale steun van 3,010 miljard. Dit bedrag was opgebouwd uit vier posten:

I. 250 miljoen gulden steun voor megachips.

Vanaf 1984 subsidieerde de overheid een megachipsfabriek in Nijmegen. De fabriek werd wegens aanhoudende verliezen in 1990 gesloten. De voorganger van Wijers, toenmalig minister K. Andriessen, meldde hierover aan de Tweede Kamer dat voor dit project “in totaal voor ongeveer 250 miljoen steun (is) verleend aan Philips” (Verslag mondeling overleg, 23 oktober 1990, Kamerstuk 21620, nr. 3, pagina 10). In de door NRC Handelsblad gepubliceerde berekening is derhalve 250 miljoen gulden voor deze steun ingeboekt.

Als minister Wijers nu aan de Kamer meldt dat “dat de door de NRC weergegeven bedragen niet correct (zijn); er is 60 miljoen gulden minder subsidie verstrekt dan de NRC stelt”, dan wijkt hij daarmee af van de mededelingen van zijn voorganger.

Verschil met de minister: 60 miljoen.

II. Eén miljard gulden technolease.

Bij deze fiscale constructie - waarmee Philips in 1993 indirect via de Rabobank en de fiscus werd geholpen - is afgegaan op ambtelijke berekeningen die uitkomen op een tegenvaller voor de fiscus over tien jaar van bijna één miljard gulden. Dat deze berekeningen serieus zijn genomen door collega's van Wijers (uit het vorige kabinet) blijkt uit een reeks vertrouwelijke documenten waarover deze krant beschikt.

Pagina 18: Technolease is volgens Brussel staatssteun

Zij tonen aan dat de berekeningen mede zijn gemaakt op verzoek van toenmalig minister Kok van Financiën. Eén berekening werd 16 juli 1994 uitgereikt in de ministerraad. Deze laat zien dat de tegenvaller wegens de Fokker-technolease uitkomt op “735 miljoen verdeeld over 10 jaar”. De Philips-technolease bevatte een hoger inlegbedrag (2,8 miljard, versus Fokker 2,1 miljard), zodat ook hieruit kan worden afgeleid dat de ambtelijke berekening van bijna 1 miljard gulden correct is. Hetgeen is bevestigd door Rabobank-topman H. Wijffels, die vorig jaar schreef: “Via de technoleases met Philips en Fokker heeft de bank fiscale claims overgenomen met een nominale waarde van 1,7 miljard gulden” (NRC Handelsblad, opiniepagina, 10 februari 1997).

Een fiscale constructie als technolease is volgens de Europese Commissie, die zich baseert op het Europees Verdrag, een vorm van staatssteun. Dit is meest recentelijk op 18 november 1997 bevestigd door de Commissie in een afzonderlijk document (code CA05/97/00500000.WOO), waarin is gesteld: “Het feit dat een maatregel een fiscaal karakter heeft, vormt geen beletsel voor de toepassing van de communautaire regels inzake staatssteun”. Hierover is al in de jaren tachtig jurisprudentie opgebouwd. In de Europese Unie wijkt nationale wetgeving per definitie voor Europees recht.

De kanttekening van Wijers is dat deze krant “ten onrechte een berekend effect van de technolease mee(neemt)”. Volgens de minister is er geen sprake van staatssteun: “Het eventuele voordeel voortvloeiend uit toepassing van fiscale regelgeving kan niet als steun aangemerkt worden”.

Tweede verlaging van de minister: één miljard.

III. De Instir, een innovatieregeling voor onderzoek en ontwikkeling, levert Philips per jaar minstens 20 miljoen gulden op gedurende het bestaan van de regeling (1984-1991). Opgeteld 160 miljoen gulden.

Hierbij plaatst Wijers geen kanttekening.

Verschil met de minister: nul gulden.

IV. 1,6 miljard vaste technologiesteun in de periode 1982-1997, onderverdeeld in twee perioden:

a) 1982-1987: 600 miljoen.

Bevestigd door twee direct-betrokkenen bij de toenmalige Philips-subsidiëring: P. Merkelbach (destijds voor Philips gestationeerd in Den Haag) en R. de Korte (vanaf 1986 minister van Economische Zaken).

In het boek De onzichtbare hand van de politiek - waaruit de krant vorige week voorpubliceerde - geeft De Korte een interessante motivatie voor afsluiting van het convenant in 1987 (dat Philips “recht geeft op 100 miljoen gulden technologiesteun per jaar”, aldus de toenmalige minister). Deze voorganger van Wijers vertelt namelijk dat het convenant eigenlijk een bezuiniging was, omdat “Philips de vijf jaren daarvoor beduidend meer geld incasseerde”. Om over de periode 1982-1987 100 miljoen per jaar te rekenen is dus een minimum: 600 miljoen.

b) De periode 1988-1997, als het convenant bestaat. Over dat convenant zegt niet alleen De Korte maar ook de toenmalige Haagse Philips-vertegenwoordiger Merkelbach dat Philips hiermee het recht verwierf op “100 miljoen per jaar, hoe dan ook”. Aldus ontstaat de som van de vaste technologiesteun in de era-1982-1997: minimaal 1,6 miljard.

De kanttekening van de minister luidt dat de krant “er ten onrechte van is uitgegaan dat over hele periode 1982 t/m 1997 100 miljoen gulden per jaar subsidie is verstrekt”. Volgens hem is dit “onjuist; pas in 1992 is het totaalbedrag van het convenant op 100 miljoen gulden gesteld. In de jaren daarvoor betrof het een lager bedrag”. Hij meldt niet hoeveel lager het was.

Verschil met de minister: onbekend.

Terug naar het totaalbeeld - het bedrag van 4,1475 miljard. Op de Europese steun (1,1445 miljard) gaat de minister niet inhoudelijk in. Van de 3,010 miljard gulden nationale steun van deze krant streept de minister weg: één miljard wegens technolease (hetgeen strijdig is met berekeningen voor Kok, met een artikel van Wijffels, met het Europees Verdrag); 60 miljoen voor megachips (strijdig met mededelingen Andriessen aan de Kamer); een ongenoemd bedrag wegens de vaste (convenant-)uitgaven aan technologiesubsidies tussen 1982 en 1997 (strijdig met mededelingen De Korte, Merkelbach).

De pointe van de minister is: “Met deze correcties valt het totale bedrag genoemd in het NRC-artikel ad 4,2 miljard, twee miljard gulden lager uit en komt op 2,17 over een periode van zestien jaar.”

Van die aftrek van 2 miljard verantwoordt de minister 1,060 miljard. Daar gaat echter weer 52,5 miljoen af omdat hij de NRC-som hoger maakt dan deze feitelijk is. Daarmee verantwoordt de minister een verschil van iets meer dan 1 miljard gulden. Dat bedrag is opgebouwd uit drie posten. De betekenis die de minister aan deze drie posten hecht, wijkt af van mededelingen en opvattingen van collega's en voorgangers hierover.