Voedsel is heilig

We koken niet graag. Mijn vogel en ik. Wij lezen de bereiding van het voedsel af op de achterkant van pakjes met macaronisaus of nasikruiden. We koken veel tegelijk. Voor vier kilo macaroni draaien we onze hand niet om. Dat gaat in de vriezer. Bij de andere kilo's. Nasi of bami. We kunnen dus altijd kiezen.

Na drie dagen macaroni gaan we over op twee dagen bami. En dan is het al weer weekend en zijn we te gast bij een lieve vriendin die wel kan koken en dat ook graag doet. Dan zitten mijn vogel en ik uitgebreid te smikkelen. We hebben iets in te halen.

Vroeger was dat anders.

Dan aten we elke dag lekker.

De laatste weken zegt mijn vogel niet veel anders meer dan het woord: 'Lekker, lekker!' Daar bedoelt ze niet mijn eten mee.

Ze denkt aan vroeger.

Mijn vogel was altijd al een fijnproever.

Ze at nauwelijks zonnepitten zoals andere papegaaien, of een appeltje of weet ik wat die arme kooivogels te eten krijgen voordat ze langzaam het loodje leggen. Nee, de mijne at bij voorkeur rijsttafel, dat lustte ze het allerliefst. Op haar klimpoten scharrelde ze over de tafel tussen de gerechten door en koos kieskeurig van alles wat, terwijl mijn toenmalige vrouw zei: “Vind je dat nou normaal: een papegaai op tafel? Ik vind het vies. Hou hem dan ten minste bij je bord.”

Ze had gelijk. Ik heb de vogel daarna met moeite geleerd dat ze alleen van mijn bord mocht eten, en dat deed ze ook: een beetje rijst, veel kip, want daar is ze gek op, veel vis - heerlijk - een ei, kun je niet genoeg van krijgen, groene boontjes voor de vitamine. Ze is een gezonde eetster.

Toen ze nog niet zo netjes van mijn bord at, hadden we eens een gast: een oude Duitse vrouw, die twee wereldoorlogen had overleefd. Die vrouw was 80 jaar oud. We aten rijsttafel. De grote pan met smoor stond midden op tafel. Mijn vogel kwam nietsvermoedend aangevlogen en landde op de rand van de gietzijzeren pan. Ze had nog geen hap genomen toen de Duitse haar met een backhand smash weer het luchtruim inknalde. Als een tennisbal tolde ze door de kamer. Ze maakte een harde buiklanding op de plavuizen. Mompelend dat het best mocht strompelde ze terug naar haar kooi. De 80-jarige at zwijgend door. Mijn vrouw glimlachte. Ik verzocht om commentaar.

“Ik heb twee wereldoorlogen overleefd”, zei de Duitse, “voedsel is heilig voor mij.”

Ze begon een verhaal over honger in de Eerste, en daarna over honger in de Tweede Wereldoorlog.

“Ik had ook honger in de oorlog”, zei ik.

“Was?”

“Ik had ook honger.”

“Maar ik stuurde jullie toch van alles, alleen wilde jouw moeder niets aannemen. Jouw moeder stuurde mijn man, die tijdens de oorlog in Hotel des Indes in Den Haag woonde en een zeer goede positie in het leger bekleedde, zo weer weg. Ze liet hem zelfs niet binnen! Unverschämt! Ik heb wat meegemaakt met haar. Daar zal ik het zwijgen toe doen.”

Ik deed er ook het zwijgen toe.

Na het eten maakten we een wandeling. De Duitse en ik. Ik had een wollen vissersklot op. Het regende. Ze verzocht me met klem die klot in mijn zak te stoppen.

“Waarom”, vroeg ik.

“Die Menschen werden denken, dass wir Juden sind.'

Ik geloofde mijn oren niet. Zei ze dat werkelijk? Ze zei het werkelijk. Ik moest de vogel weg doen. Hoe kan man zoiets in huis nemen? Dat was toch zeker een vergissing geweest? Ik was toch een anständiger Mensch? Ze vond de vogel smerig. Wist ik niet dat vogels ongedierte met zich meedragen? Die wälzen sich herum im Dreck!

Ik vertelde haar dat de vogel en ik een verhouding hadden. Dat het beest zielsveel van me hield.

Ze hield halt. Ik wachtte tot ze verder zou gaan. Ze staarde naar de vissersklot op mijn hoofd.

“Das ist doch quatsch!”, zei ze.

Haar wereld was de mijne niet.

Bijna vergeten dat ze vele treinreizen maakte van negen uur lang om van haar kleine rantsoen voedsel te brengen naar mijn hongerige vader in krijgsgevangenkamp Stammlager IV D, waar Duitsers absoluut niet mochten komen. Zij blufte zich naar binnen.

Bijna vergeten dat ze van haar man alleen twee gloednieuwe schoenen hebben teruggevonden. Die schoenen had ze voor hem gekocht voordat hij afreisde naar het oostfront. Ze stonden in Polen.

Vanavond sluiten we drie dagen nasi af. Morgen beginnen we aan de bami.

    • Fred Koning