Kok: verschillen Van Mierlo en Pronk zijn 'onschuldig'

DEN HAAG, 18 MAART. De meningsverschillen over hun taakverdeling en competenties die de ministers Van Mierlo (Buitenlandse Zaken) en Pronk (Ontwikkelingssamenwerking) onlangs samen in het blad Internationale Samenwerking bespraken, zijn volgens premier Kok “onschuldig”.

Kok zei dit gisteren in antwoord op mondelinge vragen uit de Tweede Kamer. Hij bestreed de kritiek van Van Middelkoop (GPV), Verhagen (CDA) en Weisglas (VVD) dat de eenheid van regeringsbeleid was doorbroken in het dubbelinterview, dat hem niet vooraf bekend was geweest. Integendeel, Kok vindt dat de twee ministers daarin een “belangwekkende beschouwing” hebben gegeven die in de komende kabinetsformatie “rustig” moet worden overwogen.

“Als er ideeën zijn in de kring van bewindslieden, gevoed door ervaringen die men heeft opgedaan, die men alvast aan de openbaarheid wil prijsgeven, is de kans dat daarnaar wordt geluisterd voordat er verkiezingen worden gehouden soms groter dan daarna. In elk geval is een goede gedachte altijd de moeite van het registreren waard”, aldus Kok. Hij ziet in de competentiediscussie van Pronk en Van Mierlo “absoluut geen teken van onvrede”.

Ook Van Mierlo ontkende in de Eerste Kamer, waar gisteren de begroting van Buitenlandse Zaken werd behandeld, dat de eenheid van regeringsbeleid in het interview was geschaad. Naar zijn smaak was het om niet meer gegaan dan om “een gesprek in verkiezingstijd over wat er kan verbeteren in een volgend kabinet”.

Een mogelijkheid om de zware belasting van zijn ministerschap te verlichten noemde hij een tweede staatssecretaris naast de nu bestaande staatssecretaris voor Europese Zaken. Van Mierlo weersprak dat hij met Pronk “een groot confict” heeft. “Anders hadden wij niet met dat interview ingestemd”, zei hij. “Wij zijn niet op ons achterhoofd gevallen.”

De minister reageerde daarmee op kritiek van de CDA'ers Steenkamp (“Ook dit stuk van het paarse bollenveld ligt er verlept bij.”) en van Van Gennip, die zei niet verrast te zijn dat de herijking (departementale integratie) van het buitenlands beleid wat meer tijd vergt.

VVD-woordvoerster mevrouw Roscam Abbing-Bos noemde het in de senaat “absoluut noodzakelijk dat één man of vrouw op Buitenlandse Zaken de touwtjes in handen heeft”.

Kok en Van Mierlo maakten gisteren tevens duidelijk dat zij in een volgend kabinet opnieuw een aparte minister voor Ontwikkelingssamenwerking wensen. Voor een suggestie die minister Voorhoeve (Defensie) in een artikel in deze krant deed, namelijk de rol van de premier voor het buitenlands beleid te versterken door de 'vijfhoek' van eerstbetrokken ministers wekelijks onder zijn leiding de hoofdlijnen te laten bespreken, voelen Kok en Van Mierlo niet. In de voltallige ministerraad wordt wekelijks over buitenlands beleid gepraat, apart overleg in deze vijfhoek vindt Kok “overdreven”.