Heropvoeding

Doet de motivatie van een kunstenaar voor een bepaald onderwerp er iets toe of hebben de toeschouwers daar niets mee te maken? In het algemeen geldt, geloof ik, dat kunstkenners deze wel mogen analyseren, terwijl het lekenpubliek zich erbuiten moet houden. Neem bijvoorbeeld het onderwerp 'De Sabijnse maagdenroof', eeuwenlang zeer populair onder schilders die van een beetje actie op het doek houden.

Ik heb er vaak voor gestaan in musea: weerloze, weelderige vrouwen die, de kleren al half van het lijf gescheurd, in onmogelijke bochten over paarden gedrapeerd liggen. Sommigen proberen zich te verstoppen, maar worden door baardige woestelingen overmeesterd. Natuurlijk probeerden deze schilders de mythe te verbeelden, maar tegelijk legden ze ook behoorlijk wat enthousiasme in hun picturale fantasie. Je kunt je niet aan de indruk onttrekken dat er wellust schuilt achter deze semi-verkrachtingstaferelen.

Die wellust zij hun gegund; van het lot van de mythische Sabijnse maagden ligt niemand meer wakker, wat ruimte schept voor het bewonderen van het coloriet, en het komt dan ook in niemands hoofd op (kunstkenner of niet) om de betreffende schilders motieven toe te schrijven als 'het publiek een spiegel voorhouden' of 'een maatschappelijk probleem aan de kaak stellen'. Merkwaardig genoeg gebeurt dit wel, zodra hetzelfde precaire onderwerp verkrachting in een moderne ambiance wordt verbeeld. Kunstenaar Ronald Ophuis schildert een padvinder die door een andere padvinder wordt verkracht en de kunstkenners buitelen over elkaar heen om hem een edel motief in de schoenen te schuiven: 'hij wil het seksueel geweld in de maatschappij op indringende wijze zichtbaar maken'? (Waarvoor? Om het een halt toe te roepen?)

Zelf geloof ik daar niets van. Kunstenaars werken niet vanuit de Postbus 51-gedachte. Ophuis schildert zo'n doek niet om ouders ervan te weerhouden hun kind op de padvinderij te doen, of om padvinders tot inkeer te brengen. Hij schildert dat omdat hij door geweld wordt gefascineerd en het misschien wel geil vindt. Dit is een volstrekt legitiem motief en zo oud als de geschiedenis van de kunst, maar een hedendaags cultuurfunctionaris die allerlei groepen te vriend moet houden, kan er niet echt lekker mee uit de voeten en is dus wel gedwongen het te ontkennen en door iets sociaal wenselijkers te vervangen. Wethouder Swart uit Enschede die het schilderij voor de gemeente had aangeschaft, kreeg vervolgens problemen met de Twentse scoutinggroepen en andere geschokten in de regio. Het onnozele publiek en de beledigde minderheid van padvinders ontwaarden helemaal geen edele motieven in het schilderij van Ophuis, alleen (kwaadaardige) wellust en daar zien ze de gemeenschapsgelden liever niet aan besteed.

Wethouder Swart verwacht de commotie tot bedaren te kunnen brengen door middel van goede gesprekken, maar hij verzwakt zijn positie door op voorhand al toe te geven dat het geen doek is om in een openbare ruimte op te hangen. Het moet in het gemeentelijk museum of in een galerie. Zouden de directeuren daarvan niet liever hun eigen aankoopbeleid bepalen in plaats van de particuliere hobby van de wethouder in hun gebouw gedumpt te krijgen?

Als een willekeurige museumdirecteur of galeriehouder een schilderij met verkrachte padvinders of met slachtoffers van seriemoordenaars aanschaft, kan niemand dat iets schelen. Maar als een wethouder hetzelfde doet, ontstaat er ongenoegen. Terecht, want een wethouder dient het belang van de gemeenschap, een amorfe massa met als enig punt van overeenkomst, zoals keer op keer blijkt, dat men niet gediend is van beelden van hurkende, plassende vrouwen, plasseksposters, of schilderijen van verkrachte padvinders. Men wil kortom geen openbare heropvoeding door middel van grensoverschrijdende kunst.

Wat wil de massa wel? Ik vermoed ruiterstandbeelden. Het onaanzienlijkste plantsoentje krijgt meteen allure met een ruiterstandbeeld, maar in deze tak van de beeldende kunst is geen enkele wethouder nog geïnteresseerd.