Ambitieus panorama van de jaren zeventig in portret van pornofilmindustrie; De opkomst en ondergang van Dirk Diggler

Boogie Nights. Regie: Paul Thomas Anderson. Met: Mark Wahlberg, Burt Reynolds, Julianne Moore, Heather Graham, William H. Macy, Alfred Molina, Don Cheadle, John C. Reilly. In: 25 theaters.

Films die in een breed geschilderd en minstens twee en een half uur beslaand panoramisch bestek een sector van de Amerikaanse samenleving trachten in kaart te brengen, vereisen ambitie, stijlvastheid en ervaring. Denk maar eens aan de documentaires van Frederick Wiseman of de speelfilms over countrymuziek (Nashville) en het moderne Hollywood (The Player) van Robert Altman of de mafia (GoodFellas) en Las Vegas (Casino) van Martin Scorsese. Met bewonderenswaardige moed stort de pas 26-jarige Paul Thomas Anderson zich in zijn tweede speelfilm (de eerste, Hard Eight, moet in Nederland nog uitkomen) al op een dergelijke onderneming. Boogie Nights beoogt een fictief, maar compleet beeld te geven van de Californische pornofilmindustrie tussen 1977 en 1985, overigens een periode van permanente neergang. Was er aan het slot van de Swinging Seventies nog een relatief onbekommerde exploitatie mogelijk van de promiscue tijdgeest, tien jaar later was de Adult Filmindustry gemarginaliseerd tot een louche vorm van videonijverheid, overschaduwd door de angst voor aids en een met intensief druggebruik samenhangende verwevenheid met de al dan niet georganiseerde misdaad.

Anderson koos voor zijn verhaal een soort van alternatieve familie, met de in zijn eigen artistieke ambities gelovende producent Jack Horner (Burt Reynolds) als aartsvader, diens acterende vriendin Amber (Julianne Moore) als moeder, en de sterren Rollergirl (Heather Graham) en Dirk Diggler (Mark Wahlberg) als aangenomen kinderen. Er zijn veel andere personages in dit ensemble, zodat de Oscarnominaties voor Reynolds en Moore in de bijrolcategorieën terechtkwamen, terwijl het in feite om twee hoofdrollen gaat.

De opgave die Anderson zichzelf stelde, was om meerdere redenen niet eenvoudig. Hoewel hij als regisseur in verschillende virtuoos geconstrueerde scènes zijn visitekaartje afgeeft als eerzuchtige stilist, ontbrak het hem aan ervaring om het, ten onrechte eveneens voor een Oscar genomineerde, scenario van een constante dramatische spanning te voorzien. Bovendien is het erg lastig om een zo oervervelend en noodgedwongen in constante herhaling vervallend creatief proces als de productie van pornofilms tot een onderhoudend onderwerp te maken. Daarbij werden de handen van de regisseur achter zijn rug gebonden, omdat een voor een gewoon publiek bedoelde Amerikaanse film nu juist niet kan laten zien waar het in een pornofilm om draait. Dus moeten we het stellen met voordurende suggesties over de legendarische afmetingen van Digglers lid, als een soort van running gag. Pas in de allerlaatste scène wordt ons op de proef gestelde geduld heel even beloond, als een per definitie teleurstellende apotheose.

Een groot deel van de aantrekkelijkheid van Boogie Nights zit dan ook niet in des Pudels Kern, maar juist in de verpakking. Vooral de generatie die de jaren zeventig alleen maar van horen zeggen kent, kan in Boogie Nights haar hart ophalen aan een nog niet eerder op deze schaal beproefde celebratie van disco, broeken met wijde pijpen, plateauzolen, ooit modieuze snorren en weelderige haardossen. De soundtrack van de film is een bijna karikaturale verzameling oude hits, minder kieskeurig geschift dan in de films van Quentin Tarantino, met wie Paul Thomas Anderson hier en daar al wat voorbarig vergeleken werd.

De beschrijving van de kater van de jaren tachtig kan ook niet helemaal vrijgepleit worden van moralisme achteraf, iets waar Tarantino zich niet snel aan zou bezondigen: de manier waarop hij sterren uit de jaren zeventig in zijn nieuwe films rehabiliteert getuigt eerder van bewondering en geloof in continuïteit van voormalige helden dan van de superieure exploitatie van nostalgie. Toch is het tegenvallende Boogie Nights geen onbelangrijke film: dat belang zit hem vooral in de ontdekking van Paul Thomas Anderson als een regisseur, die vast nog wel eens een echt grote film gaat maken.