Xenotransplantatie

In de beschouwing van Anja Hiddinga en Marli Huyer (NRC Handelsblad, 26 februari) over bepaalde ethische aspecten van transplantatie van dierlijk weefsel bij de mens (xenotransplantatie) wordt een aantal bezwaren genoemd. Zo hebben ze het over de niet te voorziene ervaringen van xenotransplantatie bij mensen. Het gaat hier met name over harttransplantatie.

Ik zie deze bezwaren in deze tijd niet. Sedert Harvey weten wij dat het hart niets meer of minder dan een pomp is, een mechanisch, zij het levend, instrument dat ons in leven houdt. Zou iemand, met een dergelijke transplantatie na een hevige schrik denken: het varkenshart in mij sloeg op hol, in plaats van: mijn hart sloeg op hol? Ik denk het niet: het betreffende hart is geïntegreerd in het organisme, als een onderdeel ervan geaccepteerd, zoals een menselijk donorhart of nier ook als het eigen hart of de eigen nier beschouwd gaat worden.

Een ander bezwaar, het gevaar van opheffen van de grenzen tussen mens en dier, zie ik evenmin. Mijn antwoord hierop werd reeds goeddeels in mijn kritiek op het vorige bezwaar weergegeven. Het gaat tenslotte om dierlijk weefsel, in de vorm van een orgaan of een deel ervan, dat in een menselijk organisme wordt geïntegreerd en niet om het wezen van het betreffende dier. Ik zie niet hoe een wezenlijke grens tussen mens en dier zou worden overschreden.

Ten slotte het bezwaar betreffende de eindigheid van het menselijk leven, dat mogelijk aangetast zou worden. Dit bezwaar is voor mij oninvoelbaar. Met orgaandonatie, ook eventueel die van een dier, ook wanneer het een zo voor het leven essentieel orgaan als het hart betreft, wordt de eindigheid van het menselijk bestaan geenszins aangetast. Dat geldt overigens voor geen enkele levensverlengende ingreep in de moderne geneeskunde en ook stellig niet voor xenotransplantatie. Als iemand met een varkenshart hieraan niet binnen een tamelijk beperkte tijd dood zou gaan (iets dat zelfs na transplantatie van een mensenhart veelal het geval is) wordt hij wel te eniger tijd geveld door een tumor, pneumonie of een andere aandoening of door de onontkoombare veroudering en verval, waaraan wij, hoe sterk mogelijk ook van constitutie, geen van allen zullen ontkomen. Dat iemand met een donorhart van een varken afkomstig gedoemd zou zijn om als Ahasverus eeuwen op deze wereld rond te blijven zwerven, is een hersenschim.