Vogels fluiten aan het front in Soedan

De Zuid-Soedanese verzetsbeweging, het SPLA, heeft zich vernieuwd en versterkt. Toch ligt de zege nog niet binnen handbereik. “In onze oorlog kan je geen haast hebben.”

AAN HET FRONT BIJ JUBA, 17 MAART. In de verte klinkt mortiervuur. “Kijk, daar ligt Juba, ons volgende doel”, wijst commandant Wana Yoang van het Soedanese Volksbevrijdingsleger (SPLA). “En daar, op tien kilometer afstand, hebben regeringssoldaten zich ingegraven in loopgraven. We zullen ze binnenkort aanvallen. Wij blijven in het offensief, regen- of droogseizoen, het maakt ons niet meer uit. Het SPLA is nu een conventioneel leger.”

Soldaten van het opstandelingenleger drinken een kopje thee van gebrande suiker aan het front, 50 kilometer van de Zuid-Soedanese hoofdstad Juba. Routineus beschieten SPLA- en regeringsmilitairen elkaar. Verder is het rustig aan het front, je kunt de vogels horen fluiten. Maar er hangt geen vreedzame sfeer. Talrijke schedels, beenderen en verscheurde kleren herinneren aan de veldslag van precies een jaar geleden, toen de Zuid-Soedanese verzetsbeweging na de inname van de strategische stad Yei optrok naar Juba. De weg van Yei naar Juba ligt bezaaid met autowrakken, het product van landmijnen.

Vlak achter het front houden grote concentraties SPLA-soldaten zich op in kampen en rond Juba bezetten de rebellen op vijf plaatsen posities. Klaar voor de aanval, zeggen de commandanten.

Commandant Wana Yoang schetst met een stok in het zand waar het SPLA zich bij de aanval op Juba op zal richten: “Het hoofdkantoor van het leger, de kazerne, de luchthaven en de universiteit waar 300 Iraakse troepen zijn gelegerd. Juba wordt zwaar verdedigd door 60.000 regeringssoldaten”. Het SPLA beschikt aan het front onder andere over enkele tanks, moderne artillerie voor de lange afstand, SAM-7 luchtdoelraketten en anti-tankgeschut. Op de weg zuidwaarts naar Oeganda staan in strohutten munitiekisten en mortiergranaten opgestapeld. Aan wapens geen gebrek, zo lijkt het. Een probleem is wel het vervoer van het zware materieel over het belabberde wegennet van Zuid-Soedan. Een ander probleem is de bediening van de moderne apparatuur.

“We hebben al deze wapens buitgemaakt op de vijand”, verklaren SPLA-commandanten. Maar dat is een fabeltje. Enkele tanks blijken inderdaad afkomstig van het regeringsleger, andere zijn vorig jaar aangeschaft in de Oekraïne. Veel van de artillerie komt uit Oeganda. Vooral de laatste twee maanden werden in Noord-Oeganda grote wapentransporten richting Zuid-Soedan waargenomen.

“Na het begin van de oorlog in 1983 ontvingen we hulp van Libië, daarna tot 1991 van Ethiopië en nu van Amerika”, vertelt een SPLA-commandant. Vragen over die Amerikaanse steun, leveren niets op; militairen verklappen niet gemakkelijk geheimpjes. “Morele steun”, luidt het antwoord. Volgens onbevestigde berichten geven de VS steun aan het Oegandese leger, dat deze hulp weer doorsluist naar het SPLA.

Juba staat op het punt te vallen, is een leuze die dateert uit het begin van de oorlog. Geen journalist gaat meer rechtop zitten bij deze oorlogspropaganda. Te vaak wordt de inname van de Zuid-Soedanese hoofdstad aangekondigd.

Pagina 6: 'In onze oorlog kan je geen haast hebben'

Een grootschalige aanval op Juba in 1992, met hulp van dissidente zuiderlingen in het regeringsleger, mislukte. Toch kan een nieuwe aanval niet worden uitgesloten.

Na een serie nederlagen drukte het regeringsleger het SPLA begin 1995 bij Nimule met de rug tegen de muur. Afsplitsingen sinds 1991 binnen de rebellenbeweging, daaropvolgende hevige onderlinge gevechten en tribale conflicten hadden het SPLA zodanig verzwakt dat leider John Garang overwoog zich over te geven. Het SPLA stak echter de hand in eigen boezem en organiseerde enkele bijeenkomsten waar de militaire leiding onder vuur kwam te liggen. Dit leidde tot hervormingen binnen het SPLA en met aanmoediging vanuit het buitenland heeft de beweging zich sindsdien vernieuwd en versterkt.

De bloedige conflicten tussen zuidelijke opstandelingen onderling stopten. De dissidente SPLA-leider Kerubino Kwanyin Bol in de regio Bahr el-Gazal kwam terug van zijn aansluiting bij het regeringsleger en voegde zich vorige maand weer bij zijn oude kameraden. De afvallige groep van Riëk Machar verbond zich in 1996 met de regering en controleert grote delen van de regio Upper Nile maar sinds september wordt er niet meer met het SPLA gevochten.

Het SPLA oefent controle uit in zeven steden in Zuid-Soedan. Het heerst in het overgrote deel van het platteland in de regio Equatoria en breidt zijn operaties uit in Bahr el-Ghazal evenals in de Nubabergen. Bovendien leverde het honderden manschappen aan de oppositiestrijdkrachten in het noorden van de Nationale Democratische Alliantie (NDA) bij Kassala en in de regio Blue Nile. Het moreel onder de opstandelingen is opvallend verbeterd, en sinds begin 1996 behaalt het SPLA overwinning op overwinning.

Yei, de bestuurshoofdplaats van door het SPLA beheerst gebied, vertoont nog de tekenen van de terugtocht van het regeringsleger. Honderden krijgsgevangenen hangen rond op het erf van de gevangenis. Verwrongen metaal van legermaterieel omringt de stad, vernietigd door SPLA-strijders toen een regeringseenheid in een hinderlaag liep.

Het enige dat de Soedanese regering nog in Yei kan doen is vanuit de lucht bombarderen. Hierbij worden vooral burgers slachtoffers, niet SPLA-soldaten, zoals bij een bombardement begin deze maand op het ziekenhuis, waarbij twaalf patiënten omkwamen.

“Onze militaire kwaliteit is beduidend verbeterd”, verkondigt commandant Thomas Cerillo. Hij zit ontspannen in een leunstoel op zijn netjes aangeveegde erf in Yei. “We hebben ons omgevormd van een guerrillamacht tot een conventioneel leger, maar we kunnen ook nog steeds guerrilla-acties uitvoeren.”

Waarom slaagde het SPLA er dan onlangs niet in om de aanval op Wau af te ronden met een zege? Cerillo denkt even na en zegt: “Tja, conventioneel zijn we nog niet sterk genoeg om grote steden als Wau en Juba in te nemen. Maar laat iedereen weten dat je in onze oorlog geen haast kan hebben. Het is hier niet zo als in Zaïre vorig jaar, waar de rebellen van Laurent Kabila tegen een sterk verzwakte vijand vochten. Het SPLA moet het opnemen tegen een professioneel, door de Arabische wereld gesteund regeringsleger, versterkt door moslim-fundamentalisten en mujahadeen vechten”.

Eltayeb Elhussain verveelt zich rot. Al een jaar is hij krijgsgevangene van het SPLA in Yei. Hij voerde de versterkingen aan die naar Yei werden gestuurd om het belegerde regeringsleger te ontzetten. Toen hij bij de stad arriveerde bleek het SPLA de stad al te hebben ingenomen. “Meer dan 1.000 van ons werden gevangengenomen. Honderden stierven de eerste maanden door voedselgebrek”, vertelt hij.

Het onderhoud met Eltayeb en negen andere officieren in gevangenschap heeft plaats in een gespannen sfeer - er is geen sprake van een vrije uitwisseling van informatie. Met tegenzin vertellen ze hoe ze Oegandese verzetsbewegingen van wapens voorzagen, als tegenzet voor de Oegandese steun aan het SPLA.

Ze erkennen de aanwezigheid van mujahadeens, fanatieke moslimstrijders van verschillende nationaliteiten, in het regeringsleger, die “nuttig zijn als infanterie maar niet als je je moet verdedigen”. Ze wijten hun nederlaag vooral aan de zware wapens waarover het SPLA tegenwoordig beschikt.

De meeste krijgsgevangenen verblijven inmiddels niet meer in detentie. Zuiderlingen onder hen hebben zich aangesloten bij het SPLA, veel noordelijke soldaten zeggen te willen gaan vechten met de oppositiestrijdkrachten van de NDA in het noorden. Ze worden overgevlogen naar de Eritrese hoofdstad Asmara vanwaar ze naar bases van de NDA aan het front bij Kassala vertrekken.

De 19-jarige schooljongen Aliman Ahmed Juma behoort tot de kleine groep krijgsgevangenen in Yei die niet is vrijgelaten. Hij werd ingedeeld bij de categorie mujahadeen. Het SPLA vertrouwt de mujahadeen niet en laat ze daarom niet gaan. “Ik moest in het regeringsleger, anders kon ik niet verder studeren”, vertelt Aliman. Hij wendt verlegen zijn ogen af naar de vloer. “Ik kwam hier in het zuiden strijden voor God, maar nu voel ik me verlaten. Ik wil naar huis.”