Passages Vaticaans document

[...]Deze eeuw is getuige geweest van een onuitsprekelijke tragedie, die nooit vergeten kan worden: de poging van het nazi-regime het joodse volk uit te roeien met de daaruit voortvloeiende moord op miljoenen joden. Vrouwen en mannen, jong en oud, kinderen en zuigelingen werden vervolgd en gedeporteerd met als enige reden hun joodse afkomst.

Sommigen werden onmiddellijk vermoord, terwijl anderen werden vernederd, mishandeld, gemarteld en beroofd van hun menselijke waardigheid en daarna vermoord. Slechts heel weinigen van hen die de kampen binnenkwamen overleefden en zij bleven voor hun leven verminkt.

[...]De enorme omvang van de misdaad doet veel vragen rijzen. Historici, sociologen, politieke filosofen, psychologen en theologen proberen allen meer te weten te komen over de werkelijkheid van de Shoah en haar oorzaken. Veel wetenschappelijk onderzoek moet nog gedaan worden. Maar een dergelijk gebeuren kan niet gemeten worden aan de gewone criteria van historisch onderzoek alleen. Ze is een oproep tot “morele en religieuze herinnering” en, speciaal onder christenen, een zeer ernstig nadenken over de oorzaak ervan. Het feit dat de Shoah zich voltrok in Europa, dus in landen met een langdurige christelijke beschaving, doet de vraag rijzen naar de relatie tussen de nazi-vervolging en de houding van christenen tegenover joden door de eeuwen heen.

[...]Paus Pius XI veroordeelde het nazi-racisme ook op een plechtige manier in de pauselijke rondzendbrief Mit brennender Sorge, die op Paaszondag 1937 in de Duitse kerken werd voorgelezen, een stap die leidde tot aanslagen en tot strafmaatregelen tegen leden van de geestelijkheid. In een toespraak tot een groep Belgische pelgrims op 6 september 1938 zei Pius XI: “Antisemitisme is onaanvaardbaar. Geestelijk gezien zijn we allemaal semieten.” Pius XII waarschuwde in zijn eerste encycliek, Summi Pontificatus, van 20 oktober 1939, tegen theorieën die de eenheid van het menselijk ras ontkenden en tegen de vergoddelijking van de staat, dat allemaal naar zijn oordeel zou leiden tot een werkelijk “uur van duisternis”.

We kunnen daarom niet het verschil veronachtzamen dat bestaat tussen antisemitisme, dat gebaseerd is op theorieën die strijdig zijn met het constante onderwijs van de kerk over de eenheid van het menselijk ras en de gelijkwaardigheid van alle rassen en volken, en de langdurige gevoelens van wantrouwen en vijandigheid die we anti-judaïsme noemen, waaraan helaas ook christenen zich hebben schuldig gemaakt.

[...] Men moet zich afvragen of de nazi-vervolging van de joden niet makkelijker gemaakt is door de anti-joodse vooroordelen in de harten en geesten van sommige christenen. Maakte anti-joods sentiment hen minder gevoelig, of zelfs onverschillig voor de vervolgingen die door het nationaal-socialisme tegen de joden op touw werden gezet toen het aan de macht kwam? [...] Een antwoord moet geval voor geval gegeven worden. Daartoe is het noodzakelijk precies te weten wat mensen in een bijzondere situatie precies motiveerde. [...]

In de landen waar de nazi's hun massadeportaties uitvoerden moet de wreedheid waarmee deze gedwongen transporten van hulpeloze mensen werden uitgevoerd het ergste hebben doen vermoeden. Hebben christenen alle mogelijke bijstand gegeven aan degenen die werden vervolgd en in het bijzonder aan de vervolgde joden?

Velen hebben dat gedaan, maar anderen niet. Degenen die joodse levens zo veel als in hun vermogen lag hielpen redden, waarbij zelfs hun eigen leven gevaar liep, moeten niet vergeten worden. Tijdens en na de oorlog hebben joodse gemeenschappen en joodse leiders hun dank betuigd voor alles wat voor hen is gedaan, inclusief wat paus Pius XII persoonlijk of door zijn persoonlijke vertegenwoordigers deed om honderdduizenden joodse levens te redden. Veel katholieke bisschoppen, priesters, religieuzen en leken zijn daarom geëerd door de staat Israel.

Toch was, zoals paus Johannes Paulus II heeft erkend, ondanks zulke dappere mannen en vrouwen, het geestelijk verzet en de concrete actie van christenen niet wat men van de volgelingen van Christus zou hebben mogen verwachten. We kunnen niet weten hoeveel christenen in landen die bezet en beheerst werden door de nazi's of hun bondgenoten verbijsterd waren over het verdwijnen van hun joodse buren en gewoon niet sterk genoeg waren om hun stem in protest te verheffen. Voor christenen moet deze zware gewetenslast van hun broeders en zusters uit de Tweede Wereldoorlog een oproep tot berouw zijn.

[...]Aan het eind van dit millennium wenst de katholieke kerk haar diepe droefenis uit te spreken voor de fouten van haar zonen en dochters uit elk tijdperk. Dit is een daad van berouw (teshoewa) aangezien wij, als leden van de kerk zowel met de zonden als met de verdiensten van haar kinderen zijn verbonden.