Netwerk

Literatuur en tv - het heeft iets van een gelegenheidshuwelijk. Zodra het effe kan gaan ze weer uit elkaar. Literatuur op de televisie is niet echt interessant, voor de lezer niet, en voor de kijker niet. Behalve als het nieuws is. Eén keer per jaar. Boekenbal. Dat kan heel leuk zijn.

Ik heb er zelden iets mee te maken. Maar als ze je willen hebben, weten ze je te vinden. Meestal gaat dat per fax, of per telefoon. De radio doet het altijd wat rustiger aan, stuurt brieven ter bevestiging enzovoort, maar de tv, is mijn ervaring, wil niet zelden het antwoord NU. Ik zeg altijd ja, want je kunt nooit weten, nietwaar? Zelfs als je benaderd wordt door mensen die ruiterlijk bekennen nog nooit iets van je gelezen te hebben. Dan wordt dat hoog tijd, denk ik dan, en ik verleen mijn medewerking.

Een zekere Ineke. Van het programma Netwerk. Had 'inderdaad niet alles' van mij gelezen. “Weet u zeker”, vroeg ik, “dat u mij... Hoe komt u eigenlijk op mij.”

“Geprikt”, zei ze.

Och ja, waarom niet. Het duurde even voordat we mekaar begrepen; een schrijver is natuurlijk ook een secreet. IJdel als de pest, vooral als hij net een nieuwe roman heeft gepubliceerd, dan denkt hij dat de hele wereld daar om draait. Een 'nieuwe roman' - daar wist ze 'even' niets van af, het ging om iets anders: Panorama Nederland. Het thema van de boekenweek. Groningen. Nu ze mij uitgekozen hadden, ging het hun om Groningen, want Randstad Holland, zei ze, dat kennen we zo langzamerhand wel. Vond ik ook. Groningen was beter, en voor Groningen moet je bij mij wezen, klopt. Veenkoloniën, aardgaslocaties, de wadden - er is wel iets van te maken. De weidsheid. De romantiek van de leegte. Een kwestie van goed filmen en ik zou de woorden leveren, want er moet natuurlijk een stem bij. Ik heb niet zo'n dichterlijke stem, maar met mijn gedichten kun je voor de dag komen. Ik stelde haar gerust.

Ik had vierentwintig uur. De geest zet zich in beweging, of je wilt of niet. Ik heb eigenlijk de pest aan gefilmde of gefotografeerde landschappen met 'daar overheen' een dichterlijke stem die mij vertelt wat ik in dat landschap moet zien, dat rijmt zelden en ik dacht wat ben ik begonnen.

Toen kreeg ik een wat je noemt lumineus idee: de wadschilderijen van de in 1994 gestorven land-, zee- en luchtschilder Han Jansen. Die heeft het bestaan, omstreeks 1980, het wad te kleuren, te verven. Tientallen kilo's verf goot hij uit in de kreken die bij eb vanzelf naar zee stroomden. Poederverf, ongevaarlijk voor de vissen, want het was dezelfde verf als die gebruikt wordt om onze levensmiddelen een kleurtje te geven, dat ze wat gezonder en verser lijken: vleeswaren, sinaasappels, sperziebonen, campari zelfs - felle stoffen, die de zee een kunstmatige kleur gaven en de wolken erboven ook, van de weerschijn. Ik heb er destijds over geschreven. “Rood. De weg naar zee zou rood worden en de wolken erboven ook en ik wachtte op het wonder dat zou gebeuren. En toen werd het geel, en het werd steeds geler, met een zon die je niet zag maar die de onderkant van de wolken in brand zette en gaandeweg oploste, zodat een stralend groene hemel ontstond - en dat was een nog veel groter wonder.”

Dat wilde ik. Opnieuw. We hadden het weer mee. Het zou stormen. Hagel, regen, natte sneeuw. Ik belde Jan Israels alvast, om honderd kilo porphyramydine zeker te stellen of hoe dat ook heette, 'dat rode', en evenzoveel zwavelpoeder. De teksten had ik al, uit 'De kleur van Groningen', een lang gedicht van mij. Maar het gekke is, dan ben je opeens niet tevreden. De roes waarin je verkeert brengt dat gedicht op een hoger plan. Wat je wilt staat niet langer op papier, maar wordt gehoord. Jammer dat Han niet meer leefde. Nu moesten we het zelf doen. En wat ik zou zeggen, deed dat er wel iets toe? Ik heb 's de dichter Sorley MacLean gehoord. Een wat kruideniersachtig mannetje, maar toen hij zijn stem liet horen:

Ghabh mi do bhrataichean

umam'gan suaineadh

ghabh mi do bhrataichean

buidhe is uaine...

loeide er een zachte wind. Een misthoorn die niet uit-, maar inademde. Gaelic. 'Ik nam je vlaggen en wikkelde ze om mij heen, ik nam je gele en groene vlaggen. Ik kleedde mij met verwende, vluchtige gedachten. Ik kleedde mij in jouw gele en rode vlaggen...'

Doet het er dan nog toe wat de woorden precies betekenen? Als ze maar de juiste toon hebben. Laat mij maar wat traags zeggen en draai de knop naar links zodat ik het nog trager zeg en nog donkerder. En dan moet de schemer intreden. Als het gaat misten, ook goed. Er zal een onwaarschijnlijke gloed ontstaan, een Bengaals vuur in het holst van de nacht... Aan de andere kant, bedenk ik opeens, de kijker zal menen toeschouwer te zijn van een ordinaire tv-truc. Groene wolken, wat betekent dat tegenwoordig nog - op de tv. De werkelijkheid was een avontuur, maar op het scherm blijft daar niets van over. Ik had mij gekleed met verwende, vluchtige gedachten.

Ik sta op Noordpolderzijl aan het naakte wad. Hier zullen de camera's worden opgesteld. Ik rij langs oude steenfabrieken, op het Hoogeland, ruïnes die prachtig te filmen zijn. Ik citeer de laatste regels van het sonnet 'Vrij' van de Groninger dichter Peter Visser:

Van eerdse ketten mitsleep lös het

zail

oetdijd tot ien t onnuimelke

verdund

veur aiweg en n zet aan dingen dail

wegens het mooie Gronings. Wat het precies betekent weet ik niet, al voel ik het aan. We zien wel. Stof genoeg!

Word ik 's avonds opgebeld, door genoemde Ineke. Ze vindt het heel erg om het mij te vertellen, maar het gaat niet door. Gaat niet door? Nee, het gaat niet door. Er is namelijk iemand met een heel mooi idee gekomen, “en dat gaan we nu uitvoeren. Ik vind het heel erg u dit te moeten vertellen”.

Dat kan ik me voorstellen. Ben er even stil van. Netjes is anders. Wie het is, daar in mijn vaarwater - wil ik weten. Ze wil het eerst niet zeggen, maar ik hoor het natuurlijk toch wel, dus ik hoor het nu. Tim Krabbé.

Ah, Tim Krabbé. Die ken ik wel. Hij kent mij ook. Nee, dit is niet netjes.

Bedankt, Netwerk!