Kunsthistoricus John Gage krijgt Sikkensprijs voor onderzoek naar kleur; 'We zijn slecht in staat om kleuren te benoemen'

De Engelse kunsthistoricus John Gage begon in de jaren zestig zijn onderzoek naar het gebruik van kleur in onder meer de kunst. Zaterdag kreeg hij de Sikkensprijs voor zijn werk. “Ik ben geïnteresseerd in het mentale proces dat aan het spreken over kunst voorafgaat”, zegt hij.

Tentoonstelling: '7x Sikkensprijs', met werk van onder meer Armando en Dibbets. T/m 19 april in Museum De Lakenhal, Oude Singel 28-32, Leiden. Open di-vrij 10-17 uur, za en zo 12-17 uur.

Boek: Waar kleur een specifieke rol speelt. Met bijdragen van onder anderen Martin van Amerongen, Dominic van den Boogerd, Rudi Fuchs en John Gage, 265 blz., V+K Publishing, Blaricum, ƒ 95,-

LEIDEN, 17 MAART. Zaterdag ontving de Engelsman John Gage (1938), hoogleraar kunstgeschiedenis aan de universiteit van Cambridge. Hij kreeg de jaarlijkse prijs van de Sikkens Foundation, genoemd naar de verf- en lakfabriek, kreeg de prijs voor zijn onderzoek naar de kleur. “Als ik deze kleur rood noem”, zegt hij wijzend op het glas wijn voor ons op tafel, “dan brengt dat bij u andere connotaties teweeg dan bij mij. Maar als ik zeg dat het paars is, dan roept dat weer een andere reeks van reacties op. Waar ik in geïnteresseerd ben is het mentale proces dat aan het spreken over kleur vooraf gaat.”

Gage promoveerde in 1969 met zijn studie over kleur in het werk van de 19e eeuwse schilder William Turner. Sindsdien schreef hij onder meer vier boeken over Turner, een studie over de Italiaanse Renaissance, en het boek Goethe on Art. In 1993 bracht hij zijn kennis over kleur en cultuurgeschiedenis samen in het indrukwekkende boek Colour and Culture. Practice and meaning from antiquity to abstraction (1993). Het thema is de ontwikkeling van de ervaring van kleur in de westerse wereld. Gage zet hier uiteen hoe kleurtheorieën zich ontwikkelden, van Plato en Aristoteles via de 12de-eeuwse abt Suger, bouwheer van de kathedraal van St. Denis, Isaäc Newton die het prismatische spectrum in zeven gebieden verdeelde, tot de kleurenleer van Johannes Itten in de 20ste eeuw.

Gage, gekleed in een huiselijke trui van een onbestemde, wat drabbige tint en met diverse brillen om de nek, heeft het uiterlijk dat je van een Cambridge-professor verwacht. Toch was de kunstgeschiedenis niet zijn eerste ambitie. Hij had graag schilder willen worden. Hij herinnert zich hoe hij op zijn schilderlessen leerde dat je, als je naar het landschap keek dat je wilde schilderen, de ogen bijna dicht moest doen zodat je alleen vlekken van kleur ziet - precies zoals Monet dat deed. Hierdoor was Gage zich al vroeg bewust van kleur op zichzelf, zuiver en alleen als kleur, in plaats van kleur als de kleur van iets, zoals we het gewoonlijk ervaren.

Gage is een bescheiden en allervriendelijkste man. “Toen ik 20 jaar geleden met dit onderzoek begon was het gebied nauwelijks ontgonnen, dus alles was fris en opwindend. Ik kwam gewoon op het goede moment. Alleen in Duitsland was er belangstelling voor kleur vanuit de fenomenologische traditie van Heinrich Wölfflin en Husserl, maar daar is heel weinig aandacht voor de iconografische inhoud die mij zo interesseert. En evenmin voor de materialiteit van de schilderkunst. Problemen van techniek en materie zijn intrinsiek aan de betekenis van een schilderij.”

Volgens Gage is voor een beter begrip van onze ervaring van kleur de studie van de taal noodzakelijk. Kunstwerken zijn hiertoe bij uitstek geschikt, maar taalkundigen verdiepen zich niet in kunstwerken, en kunsthistorici maken niet graag gebruik van taalkundig onderzoek. Een ander probleem is dat wij heel slecht in staat zijn om kleuren te benoemen. Terwijl het oog ontelbare kleurnuances kan onderscheiden, hebben de meeste talen, in alle culturen en door de hele geschiedenis heen, voor kleuren slechts acht tot elf basistermen. Volgens Gage heeft het beperkte kleurvocabulaire een dwingend effect op de waarneming, want perceptie en taal zijn nauw met elkaar verweven. Het symboliseren bijvoorbeeld is louter een functie van taal.

Naast de taalkundige complicaties is het feit dat kleur sterk onderhevig is aan verandering en aan verval reden waarom het kunsthistorisch onderzoek naar kleur een ondergeschikt gebied is. Kleurgetrouwe reproducties zijn vaak onmogelijk. En reconstructie van kunst uit het verleden is meer een zaak van verbeeldingskracht dan een fysieke bezigheid. Degenen die het meest weten over kleur en over materialen zijn de kunstenaars, maar onderzoekers hebben hen nauwelijks bij hun studies betrokken, omdat kunstenaars worden beschouwd als een a-typische en commercieel onbelangrijke groep in de maatschappij. Volgens Gage is dit onjuist en kunnen we juist van kunstenaars het meest leren. Hij vertelt hoe zelfs prestigieuze kunstinstellingen op zeer onnauwkeurige wijze omgaan met kleur. “Voor een catalogustekst over Mondriaan voor het Museum of Modern Art in New York had ik een aantal werken van Mondriaan uit de jaren '20 gekozen waarin het geel erg groenig is. In de ektachrome voor de reproductie was al het groen verdwenen. We stuurden de dia's terug om dit te veranderen met behulp van kleurkaarten. Het is verbijsterend dat het MOMA dit niet wist. Ze hadden de schilderijen altijd zo afgedrukt als een correcte reproductie! Wat het eenvoudigweg niet is.”

Op mijn vraag of Gage vindt dat de schilderkunst, of in ieder geval de technische kennis ervan, in de tweede helft van de 20ste eeuw in verval is geraakt, antwoordt Gage nadenkend: “Nee, dat geloof ik niet. Alleen is duurzaamheid een probleem. Hoe maak je een schilderij dat lang meegaat? Van acrylverfsoorten weten we nog niet hoe ze zich op den duur zullen houden. Daarbij komt dat het kunstenaars niet kan schelen hoe lang hun werk blijft bestaan. Maar de inventiviteit van de moderne schilders is buitengewoon. Barnett Newman bijvoorbeeld had een fabelachtige techniek. En Kiefer is ongelooflijk inventief, maar zijn schilderijen zullen binnenkort uit elkaar vallen.”

Volgens Gage is de kunstgeschiedenis het aangewezen vakgebied voor het onderzoek naar kleur. “Kleur wordt door natuurkundigen, scheikundigen, psychologen en kunstenaars vanuit zeer verschillende gezichtspunten benaderd. Deze perspectieven zouden in een kunsthistorisch onderzoek nader tot elkaar kunnen worden gebracht. Kunstwerken zijn tastbaar, en ze zijn het product van bepaalde waarden. Wat geeft het dat de reconstructie van kunst uit het verleden meer een zaak is van de verbeelding dan van objectieve wetenschap? Dat is nu juist wat dit vakgebied zo fascinerend maakt.”