Hoger onderwijs onder één dak een brug te ver

Universiteiten en hogescholen zitten vaak in elkaars vaarwater, maar zij zoeken soms ook naar samenwerking, zoals in Amsterdam. De minister, een academicus pur sang, ziet er niets in. En hij staat daarin niet alleen.

ROTTERDAM, 17 MAART. In het buitenland afficheren ze zich als universiteit, maar in eigen land zullen de hogescholen het voorlopig nog met hun huidige benaming moeten doen. Nederland is erg gehecht aan het onderscheid tussen universiteiten en hogescholen. In het onderwijsjargon is dit onderscheid gemunt als het 'binaire stelsel'.

De Universiteit van Amsterdam (UvA) en de Hogeschool van Amsterdam (HvA) hebben onlangs aangekondigd verregaand te willen gaan samenwerken, een initiatief dat vrijwel onmiddellijk afwijzende reacties opriep.

Het onderscheid tussen wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs moet in stand blijven, zeiden minister Ritzen (Onderwijs), de grote politieke partijen en de werkgevers. Samenwerken is prima, doorverwijzen van studenten is evenmin een probleem, maar een volledige integratie van beide typen onderwijs? Nee, dat is een brug te ver.

De UvA en de HvA willen met ingang van september een oriëntatiejaar aanbieden voor schoolverlaters met een Havo- of VWO-diploma, opdat zij, aldus goed voorbereid, kunnen kiezen tussen hogeschool en universiteit. Over ten minste twee jaar willen beide instellingen ook gecombineerde studies aanbieden. Daarvoor zal dan wel de wet gewijzigd moeten worden, want die staat dergelijke innige relaties tussen universiteiten en hogescholen niet toe.

Het plan van de beide Amsterdamse instellingen gaf voedsel aan een discussie die al vele jaren in het hoger onderwijs wordt gevoerd. Die draait om de vraag in hoeverre de strakke scheidslijn tussen universiteiten en hogescholen nog van deze tijd is. Her en der in den lande zoeken beide soorten instellingen elkaar op, bijvoorbeeld om docenten uit te wisselen en om gebruik te maken van elkaars bibliotheken en apparatuur. Universiteiten bieden beroepsgerichte studies aan, hogescholen begeven zich op het onderzoekspad. Misschien zou het hele onderscheid tussen universiteit en hogeschool moeten verdwijnen en dient Nederland één type instelling voor hoger onderwijs te krijgen, waar verschillende studies worden aangeboden.

Die vraag dook al eind 1991 op. Minister Ritzen kwam toen fors onder vuur te liggen van de HBO-Raad, de vereniging van hogescholen. Deze raad weigerde in te stemmen met het tweejaarlijkse Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan (HOOP). De bewindsman, academicus pur sang, zou de hogescholen onvoldoende ontplooiingsmogelijkheden bieden en een kunstmatige scheiding tussen het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs in stand houden, luidde het verwijt. De hogescholen lonkten naar de onderzoeksfaciliteiten van de universiteiten en wilden een fundamentele discussie over het stelsel van hoger onderwijs.

In het begin van de jaren negentig durfden de hogescholen een wat grotere broek aan te trekken, want de fusiegolf in het HBO had ertoe geleid dat veel kleine hogescholen met slechts één opleiding opgingen in grote onderwijsinstellingen met vele duizenden studenten, die qua schaalgrootte op universiteiten begonnen te lijken. Het HBO kende in studentenaantallen een sterkere groei dan het wetenschappelijk onderwijs.

Maar Ritzen hield de boot af. Tegen het benutten van elkaars faciliteiten had hij geen enkel bezwaar, maar in een fundamentele discussie over het binaire stelsel had hij geen trek. Dat standpunt huldigt hij nog steeds, hij herhaalde het in januari bij de behandeling van het HOOP 1998 in de Tweede Kamer. En de grote fracties in de Kamer zijn het met hem eens.

De argumenten die de tegenstanders van de strikte waterscheiding aanvoeren, zijn al jaren dezelfde: hogescholen en universiteiten zitten met hun opleidingen in elkaars vaarwater, waardoor studenten snel een verkeerde studie kiezen. Dat leidt er toe dat liefst eenderde van de eerstejaars afhaakt. De universiteiten worden bevolkt door jongelui die de titel van doctorandus begeren, terwijl ze in het hoger beroepsonderwijs meer op hun plek zouden zijn. Laat de beide onderwijsvormen dan ook in elkaar opgaan, zodat studenten veel gemakkelijker in een op hun capaciteiten en belangstelling toegesneden studie belanden, zo luidt dan de redenering.

Ook op de arbeidsmarkt is het onderscheid tussen een academicus en een HBO'er grotendeels verdwenen, luidt een ander argument, dat ook wordt aangevoerd door J.K. Gevers, de voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam.

In het hoger beroepsonderwijs zijn beduidend meer tegenstanders van het binaire stelsel te vinden dan in de universitaire wereld. Op hogescholen is al vele jaren sprake van een 'academic drift'. De HBO-instellingen willen zich bevrijden van hun minderwaardigheidscomplex en hebben zich de afgelopen jaren bijvoorbeeld beijverd om hun studenten een prestigieuze titel zoals bachelor of master te geven, overigens zonder veel succes. Een 'ouderwetse' academische titel blijft voor veel jongeren het predikaat met het meeste aanzien.

De universitaire wereld ziet de ambities van de hogescholen met het nodige wantrouwen aan. Daar vreest men de teloorgang van de academische vrijheid, de ondermijning van het wetenschappelijk onderzoek, de opkomst van een stelsel van hoger onderwijs dat vlees noch vis is. Het idee dat er straks in Nederland misschien doctorandussen creatieve therapie rondlopen, kan menig universiteitsbestuurder een slapeloze nacht bezorgen. Over een gemeenschappelijk gebouw valt in deze tijd van krappe budgetten altijd te praten, maar heel veel verder moet de vrijage niet gaan.

Ook de werkgevers staan niet te springen om een nieuw stelsel van hoger onderwijs. Op hun aandringen zet Ritzen het mes in de wirwar van verschillende typen opleidingen die de afgelopen jaren is ontstaan om weer duidelijkheid te krijgen over de vraag wat een studie nu precies inhoudt. Een symbiose tussen hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs zou werkgevers daarentegen nopen zich opnieuw te verdiepen in de aard van de verschillende opleidingen. Het argument dat ze geen onderscheid meer maken tussen een academicus en een HBO'er wijzen ze van de hand. Uit de arbeidsmarktmonitor van het weekblad Intermediair blijkt juist dat bedrijven tegenwoordig nauwkeuriger aangeven waarom voor de ene functie een academisch niveau vereist is en voor de andere een hogere beroepsopleiding. Waar tot voor kort automatisch een academicus werd geplaatst, valt de keuze nu vaker op een goedkopere HBO'er.

Ook studenten lopen niet erg warm voor een inniger samenwerking tussen hogescholen en universiteiten. De meesten maken zich vooral druk over de studiepunten die ze moeten halen, over hun bijbaantje, de kwaliteit van docenten en de beschikbaarheid van computers en andere apparatuur. Zo studenten al de barricaden opgaan, dan is dat zeker niet om te pleiten voor een nauwe samenwerking in het hoger onderwijs.

Het merendeel van de betrokken partijen staat dus niet te springen om op grote schaal schotten te verwijderen in het hoger onderwijs. Het binaire stelsel is misschien aan erosie onderhevig, maar de fundamenten zijn nog stevig verankerd. De Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool van Amsterdam zullen nog het nodige zendingswerk moeten verrichten om de geesten rijp te maken voor hun plannen.

Voorlopig zullen hogescholen in het buitenland dus moeten blijven uitleggen dat ze dan wel een 'university of professional education' zijn, maar ook dat een universiteit in Nederland iets anders is.

    • Paul van der Bijl