Haenchen onderscheidt in natuur Beethoven en Mahler

Concert: Ned. Philh. Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen m.m.v. Suzanne Grützmann, piano. Muziek van R. Schumann, C. Schumann, L. van Beethoven. Gehoord: 10/3 Concertgebouw Amsterdam.

Concert: Ned. Philh. Orkest en Toonkunstkoor Amsterdam, Jongenskoor kathedraal St Bavo. o.l.v. Hartmut Haenchen m.m.v. Katarina Karnéus, alt. Programma: G. Mahler: Symfonie nr 3. Gehoord: 16/3 Concertgebouw Amsterdam. Herhaling: 17/3.

Tussen de opera's Die Walküre van Wagner en Wozzeck van Berg in het Muziektheater door, dirigeert Hartmut Haenchen zijn Nederlands Philharmonisch Orkest in het Amsterdamse Concertgebouw in 19de eeuws symfonisch repertoire. Hoewel er 86 jaar liggen tussen het ontstaan van de twee symfonieën - vorige week de Zesde van Beethoven (1808) en nu de Derde van Mahler (1894) - lijken ze sterk op elkaar. Beide gaan over de natuur en als al niet alle Mahlersymfonieën zijn gesitueerd in de natuur en 'pastorales' zouden kunnen heten, dan nog is deze Derde daarvan het meest opvallende voorbeeld - de apotheose van Beethovens Zesde. Bij Mahler hoort men nog het nadonderen van het onweer uit het derde deel van de 'Pastorale'.

Beethovens Pastorale is een herinnering aan het landleven. In Mahlers Derde zijn de natuur, de wereld en zijn bewoners zelf aan het woord: 'Wat de bloemen mij vertellen', 'Wat de dieren in het bos mij vertellen' en 'Wat de mensen mij vertellen.' Die titels werden later door Mahler geschrapt, deels op grond van dezelfde gêne om zijn muziek bij publiek en kritiek voor te stellen als al te 'eenvoudig' en 'goedkoop' programmatisch.

Muziek moest toch wat absoluters, hogers en persoonlijkers zijn of lijken dan pure schildering van de natuur en daarmee de kopiëring van het bestaande. Beethoven waarschuwde al bij zijn 'Pastorale': “Mehr Empfindung als Malerei” maar de aanduidingen 'Szene am Bach', 'Lustiges Zusammensein der Landleute - Gewitter - Sturm' en 'Hirtengesang: frohe, dankbare Gefühle nach dem Sturm' bleven wel staan.

Haenchen legt in zijn vertolkingen Beethoven en Mahler niet in elkaars verlengde, maar stelt ze stilistisch scherp tegenover elkaar. Beethoven klonk puur Weens klassiek, eerder als Haydn dan als de Beethoven van de conventionele symfonische concertpraktijk. Want Haenchen zag hier af van vrijwel elke kleurende expressie, van de muzikale schilderkunst, zelfs van elk rubato - het met kleine vertragingen en versnellingen 'lekker' laten klinken van de muziek.

Het tempo was hoog, straf en strak en dat bleef zo, alsof de dirigent zelf eigenlijk niet luisterde en niet ook eens even wilde genieten. Een normaal mens krijgt zoiets niet voor elkaar, Haenchen wel. Niettemin behield de muziek ook in deze strenge opzet zijn naturalistische en epaterende werking - Beethovens noten zelf deden het werk, niet het orkestrale palet.

Mahler daarentegen wordt door Haenchen breed opgezet, met lange streken in vele kleuren en stiltes die diepte en ruimtelijkheid scheppen. Af en toe kijkt Haenchen zelfs langdurig op verborgen plaatsen door het tempo bijna stil te zetten: rubato in het kwadraat, bovendien alles hoogstpersoonlijk gefraseerd, in opengelegde klanken ontrafeld en uitgelicht. Het Nederlands Philharmonisch Orkest speelde dat gisteravond buitengewoon goed met slechts minieme haperingen in het koper, dat was versterkt met Peter Masseurs, de trompettist van het Koninklijk Concertgebouworkest.

En met die knisperige, heldere, lichte speelwijze was het natuurschildering op de meest realistische wijze: het publiek ziet zichzelf halverwege een berg - uit het dal komen de geluiden van vogels, we horen de postkoets en het door Katarina Karnéus zo prachtig, slank en krachtig gezongen lied O Mensch!. Daarbovenuit rijzen de witte bergtoppen, koel, glinsterend en majestueus wijzend naar de hemel, op een zondagochtend met klokgelui bezongen door een engelenkoor: de kosmos waarvan de aarde deel uitmaakt, en die aan het slot wordt bereikt in een finale, verblindend als het licht van duizend zonnen.