Economische en Monetaire Unie wordt club van elf landen; Oefenen in de tafel van 2,23

Nederland moet zich gaan oefenen in de tafel van 2,23. Want dat zal de de koers van de euro in guldens worden. En de euro komt eraan. Het is vrijwel zeker dat de Economische en Monetaire Unie een club wordt van elf landen. Inclusief Italië, Portugal, Spanje en Finland. En natuurlijk inclusief Nederland.

Economen die betogen dat de zaak kan worden tegengehouden of politici die zeggen dat ze Italië in de euro niet zullen meemaken, voeren een verloren strijd. De EMU is, zoals een ABN Amro bankier onlangs zei, “een gelopen race, of je dat nu leuk vind of niet”. Hij noemde de voortdurende discussie in Nederland of de euro er nu wel of niet komt, tijdverspilling.

De komst van de euro is een unieke monetaire gebeurtenis. Elf souvereine landen dragen vrijwillig de bevoegdheid om geld te drukken over aan een gemeenschappelijke centrale bank. Dat is de kern van de zaak. Maar deze landen moeten wél in staat zijn om hun economieën duurzaam op orde te houden. Dat is de kern van de uitdaging waarvoor de Europese lidstaten in de euro-zone staan.

De EMU vormt niet het sluitstuk van een politiek proces van eenwording, maar eerder een inhaalslag ten aanzien van de ontwikkelingen in de Europese economie. Europa heeft een geïntegreerde 'binnenmarkt'. Negentig procent van de handel vindt binnen de euro-zone plaats. Op de wereldmarkt en in internationale fora versterkt één munt de Europese positie.

Tegelijkertijd is de invoering van een nieuwe munt in elf landen een uitdagende, en nog altijd risicovolle stap in het ongewisse.

Het proces van monetaire eenwording in Europa is niet iets van de afgelopen paar jaar. Het begint eigenlijk direct na de ineenstorting van het stelsel van Bretton Woods in 1971. De Europese landen hebben sindsdien voortdurend - met vallen en opstaan - gestreefd naar afspraken over wisselkoersstabiliteit. Eerst was er de 'slang' en vanaf 1979 het Europese Monetaire Stelsel. In december 1991 sloten de regeringsleiders na drie jaar onderhandelen het Verdrag van Maastricht. Met de inmiddels beroemde criteria voor deelname aan de EMU. In dat verdrag stonden twee data voor invoering van de euro: 1997 - dat jaar is in stilte gepasseerd - of uiterlijk 1999.

Vorige maand hebben de lidstaten van de Europese Unie hun economische gegevens over het afgelopen jaar ingeleverd in Brussel en Frankfurt. Er komen eind maart rapporten die de situatie per land beoordelen. Deze rapporten worden opgesteld door de Europese Commissie, het Europees Monetair Instituut en op nationaal niveau ook door de Bundesbank en De Nederlandsche Bank. In het eerste weekeinde van mei besluiten de regeringsleiders en staatshoofden, op aanbeveling van hun ministers van financiën, welke landen zullen deelnemen aan de Economische en Monetaire Unie. Dan worden tevens de koersen van de deelnemende munten vast aan elkaar gekoppeld.

Op 1 juli gaat de Europese Centrale Bank formeel van start. Naar verwachting onder leiding van Wim Duisenberg.

Op 1 januari 1999 wordt de koers van de euro vastgesteld en neemt de ECB het monetaire beleid van de nationale centrale banken over. De girale euro doet zijn intrede, dat wil zeggen dat banktransacties in euro's zullen plaatsvinden. De uitgifte van staatsleningen is voortaan in euro's, de effectenbeurzen gaan over op de euro. De AEX en alle aandelenkoersen worden door 2,23 gedeeld. Dat wordt wennen: Koninklijke Olie, bijvoorbeeld, staat dan niet meer op 110 meer, maar op 49,33.

Drie jaar later, op 1 januari 2002, komen de euro-bankbiljetten en -munten in omloop. Formeel is er een overgangstermijn waarin guldens en euro's geldig zijn, maar in de praktijk zal de overgang snel gaan, misschien zelfs in enkele dagen. Wel blijven de nationale valuta's tot 1 juli geldig en kunnen bankbiljetten en munten nog twintig jaar bij de centrale bank worden ingeleverd.

Kortom, er staat de komende tijd enorm veel te gebeuren. Het zal leiden tot grote tijdsdruk en veel verwarring. Die twee woorden zullen steeds vaker klinken als vanaf mei eindelijk ook de nationale euro-campagne op gang komt. Temeer omdat gelijktijdig ook nog gewerkt wordt aan het millennium-probleem. Het millennium-probleem kost al genoeg hoofdbrekens aan computer-deskundigen. Achteraf is wel eens gezegd dat de euro beter op een latere datum, bijvoorbeeld 2000 of 2001, ingevoerd had kunnen worden.

Critici - vooral Amerikaanse en Britse academici - beweren dat de invoering van één munt in Europa dramatische gevolgen zal hebben. Twee economische sturingsinstrumenten verdwijnen namelijk naar de rommelzolder. Het nationale monetaire beleid houdt op te bestaan en het nationale begrotingsbeleid wordt sterk beknot in het kader van het Stabiliteitspact dat vorig jaar op de top in Amsterdam is bekrachtigd. Dit stelt boetes op begrotingstekorten van meer dan drie procent en streeft naar begrotingsevenwicht onder normale omstandigheden.

Met andere woorden, zeggen de critici, landen geven hun monetaire vrijheid op en persen zich in een keurslijf voor het begrotingsbeleid. Zit het economisch tegen, dan zulllen de aanpassingen terecht komen op de factor arbeid. Aangezien de arbeidsmarkten in West-Europa verstard zijn, zowel wat betreft loonaanpassingen als inzetbaarheid van arbeid, zal de monetaire unie leiden tot grotere werkloosheid.

Dit perspectief kan ook worden omgekeerd. De monetaire unie maakt een einde aan twee kunstgrepen die de regeringen in Europa in het verleden maar al te vaak gebruikt hebben om economische aanpassingen te ontwijken. In EMU-land behoren devaluatie van de munt en oplopende begrotingstekorten tot het verleden. Dat waren altijd de gemakkelijke uitwegen om pijnlijke ingrepen te omzeilen. Maar monetair beleid is er niet om banen te scheppen en begrotingstekorten lopen sneller uit de hand dan dat ze zijn teruggedrongen.

Deelname aan de EMU betekent dat aanpassingen in de economie niet opgevangen kunnen worden met een beetje meer inflatie of een beetje extra begrotingstekorten. Ze moeten opgelost worden door flexibiliteit in de arbeids- en productmarkten. Hierover bestaat trouwens een opmerkelijke consensus in Europa: van Italië tot Finland, van Oostenrijk tot Ierland en van links naar rechts in het politieke spectrum is men van mening dat concurrerende devaluaties of economische stimulering door oplopende begrotingstekorten ongewenst zijn. Verregaande economische convergentie, wat betreft begrotingstekorten en inflatie, heeft de EMU in ieder geval bereikt - nog voordat de euro is ingevoerd.

Deze convergentie verklaart de betekenis van de euro voor de financiële markten. Dit kan ook uit het ongerijmde worden geïllustreerd. Als de financiële markten géén vertrouwen in de euro zouden hebben, dan waren de koersontwikkelingen nooit zo uitbundig geweest over de afgelopen periode.

Waarom zijn de markten zo positief gestemd? Het eenvoudigste antwoord heeft slechts vijf letters: rente.

De Europese renteniveaus zijn gedaald naar een laag niveau en het ziet er naar uit dat ze vooralsnog laag zullen blijven. Dat heeft voor een deel met non-EMU factoren te maken: de lage inflatie in de Verenigde Staten, de mondiale concurrentiedruk, de pruductiviteitsstijging dank zijn steeds goedkopere chips en de dempende werking van de Azië-crisis op de wereldeconomie. Maar het heeft ook te maken met de euro.

Vorig jaar heerste nog de verwachting dat een 'brede euro', een startgroep inclusief de zuidelijke landen, in het begin zou leiden tot hogere rentepercentages. De markten zouden een 'risicopremie' voor de Club Med-landen en een 'reputatie-opslag' voor de ECB eisen.

Volgens nieuwe inzichten zal dit niet het geval zijn. De markten hebben het ontstaan van een brede groep met elf landen allang verdisconteerd. Verder zijn de inflatieverwachtingen zeer gematigd en zijn tekenen van economische oververhitting in de grote landen - met name Duitsland - niet in zicht. De ECB komt dus niet onmiddellijk onder druk te staan om met een drastische renteverhoging haar reputatie te vestigen.

Wat de kapitaalmarkten betreft helpen de versoepeling van de arbeidsmarkt, de prijstransparantie van de euro op de productmarkten én de historisch lage overheidstekorten om de inflatie structureel laag te houden. Lage inflatie en dalende overheidstekorten - dat vertaalt zich in lage renteniveaus.

Vooral in de zuidelijke landen heeft zich een spectaculaire rentedaling voorgedaan in de aanloop naar de EMU. Naarmate duidelijker werd dat deze landen de toelatingscriteria zouden halen, kon de rente dalen omdat het devaluatierisico wegviel. De beste beleggingsresultaten vielen het afgelopen jaar en begin dit jaar te behalen op de beurzen van Milaan, Madrid en Lissabon.

In de Angelsaksische financiële markten en bij particuliere vermogensbezitters in Nederland heeft lange tijd een grote aarzeling over de euro geheerst. Men wilde niet aan een Europese munt, laat staan aan een munt waarin de lire zou opgaan. De feitelijke ontwikkelingen van het afgelopen anderhalf jaar geven de zwartkijkers geen gelijk. De aanloop naar de euro is een zegetocht voor de financiële markten geweest.