Voskuil weidt uit over het dorsen

Tientallen mensen hoopten nog een kaartje te krijgen voor de lezing die de schrijver J.J. Voskuil zondag gaf in het Letterkundig Museum in Den Haag. “Voor de oorlog waren er in Nederland vijftien manieren om graan te dorsen.”

DEN HAAG, 16 MAART. Massaal laten de mensen in de zaal een langgerekt 'oooh' horen, als directeur Korteweg van het Letterkundig Museum aan het begin van de middag bevestigt wat het programma al beloofde: J.J. Voskuil zal straks een stuk lezen uit het nog niet gepubliceerde deel 5 van zijn veelgeprezen en veelverkochte romancyclus Het Bureau, het deel dat volgend jaar pas verschijnen zal.

De telefoniste van het Letterkundig Museum in Den Haag had de afgelopen week veel fans moeten teleurstellen, want de Voskuil-middag, gisteren in de aula van het museum, was al geruime tijd uitverkocht. Vlak voor aanvang staan enkele tientallen kaartlozen nog in de rij bij de kassa, hopend op een niet opgehaald toegangsbewijs. Een ouder echtpaar, dat een reis van anderhalf uur achter de rug heeft uit Blokker (Noord-Holland) heeft geluk. Ze hebben deel 4, dat in januari verscheen beiden al gelezen. “Ik vind het zo erg dat het uit is”, zegt zij.

Als Voskuil even later achter het spreekgestoelte is gaan staan, haalt hij uit een linnen tasje twee delen van Het Bureau tevoorschijn en een kleine dorsvlegel, niet veel meer dan een decimeter groot. Dorsen, daar zal deze literaire middag vooral over gaan. Als onderzoeker van het P.J. Meertens-Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde in Amsterdam, de instelling die model stond voor Het Bureau, werkte Voskuil begin jaren '70 mee aan de film Roggebouw in Roswinkel. Tegen zijn zin, weten degenen die deel 2 en 3 van Het Bureau hebben gelezen. Maar vanmiddag levert de schrijver graag commentaar, alvorens de 34-minuten durende film van Niels Halbertsma voor het eerst sinds lange tijd weer vertoond wordt.

“Voor de oorlog waren er in Nederland vijftien manieren om graan te dorsen”, doceert Voskuil. Honderden boeren interviewde hij in de jaren '60 en '70. Een oude boer in het Drentse plaatsje Roswinkel wilde Voskuil wel laten zien hoe er in zijn jeugd gedorst werd, maar, zei hij, “kunnen we er niet een film van maken, dan hebben anderen er ook wat aan?” De man vond het Openlucht Museumlucht in Arnhem bereid de productie van de film op zich te nemen.

Na de voorgeschiedenis van Roggebouw in Roswinkel te hebben verteld, leest Voskuil vier fragmenten uit Het Bureau die betrekking hebben op de film. Zoals de passage waarin boer Boesman (in werkelijkheid Boesjes geheten) probeert het scenario zo aangepast te krijgen dat daarin ook ruimte is voor een shot van de negentiende-eeuwse kerk van Roswinkel.

Zoals vaker bij Voskuil, valt het ook vanmiddag niet mee fictie en werkelijkheid te scheiden. Groot is de hilariteit in zaal, waarin veel vijftig-plussers maar ook enkele jongeren, als even later bij de vertoning van de film blijkt dat de echte boer Boesman zijn zin heeft gekregen. Want op weg van de akker naar de boerderij passeert de kar met geoogst koren één gebouw: jawel, de kerk. Daarvoor hebben we kunnen zien hoe het land is geploegd, gezaaid en gemaaid. Alles vanuit één camerastandpunt gefilmd en voorzien van een monotone, polygoonjournaal-achtige commentaarstem: “Een maaier die goed haren kan, heeft de helft van het werk al gedaan.”

Dan volgt het hoogtepunt van de film: het dorsen. Op en neer, gaan de dorsvlegers van vier boeren, op en neer. “Wanneer je samen dorst, houd je elkaar in het ritme, wat het werk lichter maakt”, zegt de commentaarstem.

“Nadat de film was gemaakt”, zegt Voskuil, “ben ik met verschillende van die boeren in contact gebleven. Ik heb ook verschillende van hun begrafenissen bijgewoond.” Over de begrafenis van boer Boesman gaat het nog niet gepubliceerde fragment dat Voskuil vervolgens - voor een doodstille zaal - leest. In deel 5 van Het Bureau woont Voskuils alter ego Maarten Koning samen met collega Ad Muller de afscheidsdienst bij voor Boesman, die wordt gehouden in de kerk die even daarvoor ter sprake kwam.

Voordat de fans in de rij gaan staan om hun Voskuilboeken - sommigen hebben een hele stapel meegenomen, anderen slechts één zorgvuldig gekaft exemplaar - te laten signeren, mogen er vragen worden gesteld aan de schrijver. Gaat Het Bureau ook vertaald worden, wil iemand weten. Uitgever Van Oorschot is aan het praten over een Duitse vertaling, vertelt Voskuil, maar hij betwijfelt of het zover zal komen. “Alleen al het vertalen van de 5500 pagina's kost drie ton.” Een ander informeert naar de titel van het laatste deel. Dat zal De dood van Maarten Koning gaan heten, zo is al bekend. “Intrigerend he?” antwoordt Voskuil, “maar u loopt op de zaken vooruit. Daar kan ik nog geen antwoord opgeven.”