TJITZE VOGEL OVER Taal en toon

Vogelkwartet: Eggs in Basket (LopLop LLr 002). Distr. VIA. Toernee: 13/3 Paradox Tilburg; 15/3 Compagnonsfeart Lippenhuizen (16u); 21/3 Artishock Soest; 22/3 De Ponteneur Amsterdam; 23/3 Wilhelmina Eindhoven; 3/4 Vredenburg Utrecht.

AMSTERDAM, 16 MAART. “Er zitten twee taalsystemenen in mijn hoofd. Het dichtst bij me staat het Fries, een taal waar ik me heel direct in uit kan drukken. Als ik overga in het Nederlands verandert mijn zinsbouw en zelfs mijn stem. Ik kan met mijn ouders en vrouw geen ABN praten zonder het gevoel te hebben dat ik in een toneelstukje sta. Het Nederlands heeft voor mij altijd te maken gehad met wedijver, bluf en het veroveren van een veilig territorium. In muziek heb ik niet dat gevoel me te moeten wapenen en durf ik me veel meer bloot te geven.”

Bassist Tjitze Vogel (Gorredijk 1958) speelt bijna zo lang als hij praat. Op zijn achtste tekende hij met stipjes zijn eerste 'composities', die door zijn vader, componist en leraar op een muziekschool, in geluid werden omgezet. Hij studeerde muziekwetenschap en contrabas, eerst bij John Clayton, vervolgens aan het conservatorium in Den Haag. Daarnaast manifesteerde hij zich als jazzscribent, o.a. in het Utrechts Nieuwsblad en de Algemene Muziek Encyclopedie. Hij speelde op vele cd's van anderen maar maakte pas onlangs zijn tweede eigen cd, Eggs in Basket, met een onorthodox samengesteld Vogelkwartet: contrabas, trombone, viool en rieten.

“Als kind was ik een buitenbeentje. Ik kon op mijn vijfde al tamelijk vlot lezen. Van een paar tantes die een bibliotheek bestierden kreeg ik ladingen afgedankte kinderboeken uit de jaren twintig en dertig die mijn taalgebruik duchtig archaïseerden. Schrijven deed ik ook al vroeg. Op mijn achtste begon ik aan de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog vanuit het standpunt van een kind, wat leidde tot vele hoofdstukken 1. Ik was gek op het gotische taalgebruik van Edgar Allan Poe en op het Atheneum zette ik het theater van Shakespeare op mijn boekenlijst om de docent te overbluffen. Ik moest het vervolgens nog wel allemaal lezen.

“Veel moeilijke woorden en heel lange zinnen, daar legde ik me in het Nederlands op toe. Ik ontwikkelde een gruwelijke breedsprakigheid en dat heeft zich gewroken in de jaren dat ik jazzrecensies voor het Utrechts Nieuwsblad schreef. Ik was zo bedreven geraakt in tangconstructies dat de redactie me regelmatig verzocht mijn zinnen in leesbare mootjes te hakken en zo af en toe een punt te zetten. Ik was pas twintig jaar oud maar afgaande op het taalgebruik moesten de lezers van die krant wel denken dat die Tjitze Vogel een leraar Nederlands van achter in de vijftig was.

“Die enorme drang om mezelf te bewijzen - ik was voor mijn image zelfs pijp gaan roken - verdween grotendeels toen ik me beter leerde uitdrukkken in muziek. Nadat ik door het imiteren van mijn vader in Stravinsky's Le sacre du printemps het percussieve in de piano had ontdekt, gingen er werelden voor me open, van Bartók, Varèse en Debussy tot Charles Mingus en Frank Zappa. Het mankeerde me niet aan eigen ideeën, er waaide me van alles aan, net als wanneer ik bezig was met taal, Nederlands maar ook Engels, Frans en Spaans. Het veroveren van de contrabas was een gevecht, omdat ik zuiver wilde leren spelen, wat op dat ding geen kleinigheid is.

“Wat in mijn taalgebruik zo belangrijk was, het spits overtroeven van anderen, is, enigszins tot mijn eigen verbazing, in mijn muziek totaal niet aan de orde. Ik speel wel een beetje de voorzitter door het verdelen van de rollen, maar ben absoluut niet uit op het laatste woord dat ik - hoogst irritant voor anderen - als spreker nog altijd heel graag heb.

“Het maken van muziek heeft me socialer gemaakt, minder hanig, meer bereid tot het vertellen van een verstaanbaar verhaal, zoals blijkt in Wanton Wake. In muziek ben ik wie ik ben en veel minder wat ik wil zijn. Minder bevangen, meer bevlogen.