Ski

In de nieuwste etymologische woordenboeken staat achter een woord vaak een jaartal. In dat jaar is het woord voor het eerst op schrift aangetroffen. Het nazoeken van zo'n jaartal is een dievenklus, want men is hiervoor hoofdzakelijk op het doorbladeren van tientallen oude woordenboeken aangewezen.

In het etymologisch woordenboek van Van Dale staat achter het woord ski dat dit uit het eerste kwart van deze eeuw dateert. De redactie schrijft dit omdat zij het woord in 1912 voor het eerst heeft gevonden, en wel in Kramers' Algemeen verklarend woordenboek. Daar staat: “Ski, sneeuwschoen, een soort schaats voor de sneeuw, in Noordelijke landen en in berglanden (Zwitserland) gebruikelijk.” Een belabberde definitie, maar dit terzijde.

Dit alles wil natuurlijk niet zeggen dat de ski pas aan het begin van deze eeuw is uitgevonden. In het skimuseum in Stockholm wordt een ski van dennenhout bewaard die in een moeras in Noord-Zweden is gevonden en die vermoedelijk 4500 jaar oud is. En in een grot op het Noorse eiland Roy is op een 2500 jaar oude rotstekening een mannetje te zien op twee lange latten met omhoogstaande punten aan de voor- en achterzijde. Hij heeft de oren van een konijn en houdt een L-vormig voorwerp in zijn hand, waarschijnlijk de eerste skistok.

Dat zegt natuurlijk niets over het debuut van dit woord in het Nederlands. Het is voor etymologen nogal frustrerend om bij dateringen zo zwaar op oude woordenboeken te moeten leunen, want die nemen een woord pas op als het min of meer is ingeburgerd. Daarom hecht men wat dit betreft meer waarde aan andere oude teksten. Die kunnen echter verraderlijk zijn.

Dat geldt ook voor ski, een Noors woord, dat oorspronkelijk 'afgespleten stuk hout' betekende. In skigidsen waarin aandacht aan de geschiedenis van het skiën wordt besteed - altijd superkort - staan soms plaatjes van jagende Laplanders op ski's. Wie vervolgens in boeken over de geschiedenis van Lapland gaat zoeken hoe die latten werden genoemd, heeft al snel beet.

Een befaamde geschiedenis van Lapland werd in 1674 geschreven door Johann Scheffer (1621-1679), een van oorsprong Duitse geleerde die opklom tot hoogleraar en bibliothecaris in het Zweedse Uppsala. In 1682 verscheen in Amsterdam de Nederlandse vertaling van zijn boek onder de titel Waarachtige en aen-merkens-waardige historie van Lapland.

Scheffer besteedt een apart hoofdstuk aan de Laplanders en de jacht. Ze maken daarbij gebruik, schrijft hij, van “een soort van houte Schoenen oft Schaatsen, met welke sy seer ras over de sneeuwbergen en in 't midden der valeyen agter de wilde dieren konnen loopen. Dese Schoenen bestaan uit twee stukken houts, oft twee gladde plankjes, die geweldig wel tot de Jagt dienen, wanneer men over seer hooge sneeuw-bergen moet gaan. De Noordse volkeren hieten die in haar taale gemeenlijk Skider, en door verkorting Skier, dat wel over een komt met het Hoogduydse woord Scheiter, waar mede sy gekloven stukken houts beduyden.”

Ruim zes bladzijden lang weidt Scheffer uit over deze “houte schoenen” of “Laplandse schaatsen”. Hij haalt alle eerdere boeken aan waarin ze worden beschreven - reisbeschrijvingen van onder anderen de Zweedse bisschop Olaus Magnus en de Zuid-Nederlandse sterrenkundige Gemma Frisius. Hij schrijft dat ze gemiddeld zeven voet lang zijn, een voet langer dan de man “of vrouw” die erop staat. De ene “houten schaats” is langer dan de ander en ze zijn met pek of hars besmeerd. De voorpunten wijzen omhoog. Hij beschrijft hoe je er op moet staan, hoe bepaalde stokken worden gebruikt om “voort te stooten” en hoe de voeten met bandjes worden vastgemaakt. Hij vertelt dat de jagers “niet beschroomt en langzaam, maar met een ongelooflijke snelligheid, zonder eens te struikelen of neder te vallen” naar beneden zoeven. Scheffer weet zelfs de details te vermelden van een paar “houten schaatsen” die “in Leiden in Holland” aanwezig zijn.

Zoals gezegd gebruikt Scheffer het woord skier. Mag je hier nu uit concluderen dat Van Dale zich vergist en dat ski niet aan het begin van de 20ste eeuw maar in 1682 moet worden gedateerd? Nee, want het gaat hier om wat taalkundigen geïsoleerd gebruik noemen. Scheffer gebruikt skiër als een exotisme, namelijk om iets aan te duiden waarvoor het Nederlands geen woord kent. Bovendien gebruikt hij een andere vorm dan de huidige. Na hem is het woord heel lang niet meer aangetroffen. In een reisverslag uit 1685 spreekt men over “seldsame sneeuw-schoenen” en in een studie uit 1714 over “zekere soort van houte schaetsen”.

Iets vergelijkbaars doet zich in het Engels voor. Daar is het woord ski in 1755 voor het eerst gevonden en daarna pas weer in 1885.

Dan was het Nederlands toch sneller. In het tuttige tijdschrift Elk wat wils komt in 1874 een verhaal voor over de hoogvlakte van Noorwegen. Daar is het zomers goed jagen op patrijzen, zo blijkt, en in de winter eigenlijk ook, maar dan “,gebruikt de jager zijne sneeuwschoenen ski genaamd”. “Deze ski zijn plankjes van zes tot acht voet lang, en drie Rijnlandsche duim breed, van dennen of, wat nog beter is, uit esschenhout gemaakt, die naar voren toe iets breeder worden en in een omgebogen punt eindigen.” Het woord ski valt in hetzelfde artikel nog diverse malen, samen met onder andere skiloopen en skiwedrennen.

Voorlopig mag men dit als het Nederlandse debuut van het woord ski beschouwen. Maar het was wel een aarzelend debuut. Want toen in 1902 de Nederlandse bewerking verscheen van Op Sneeuwschoenen door Groenland, een verslag van een barre skitocht in 1888 door de Noorse avonturier Fridtjof Nansen, stond er bij skiloopers nog als voetnoot: “Een ski is een sneeuwschoen.” Nansen zorgde er echter als geen ander voor dat skiën internationaal een sport werd. De grote aanval op de sneeuwhellingen kon beginnen en het woord ski liftte vanzelf mee.