Onderzoek naar oorlogskunst

ROTTERDAM, 16 MAART. De Nederlandse Museumvereniging stelt onder zijn vierhonderd leden een onderzoek in naar de herkomst van kunstwerken die musea tijdens en kort na de oorlog hebben verworven. Dat besluit is vorige week genomen tijdens een besloten bijeenkomst van de vereniging in het Rijksmuseum in Amsterdam, waar discutabele aanwinsten uit 1940-1945 ter sprake kwamen. Een commissie van museumdirecties onder leiding van Ronald de Leeuw, directeur van het Rijksmuseum, zal het project begeleiden.

Bij het Rijksmuseum in Amsterdam, het Haags Gemeentemuseum en Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam is, mede door eerder ingediende binnen- of buitenlandse claims, al een dergelijk onderzoek gaande. En op verzoek van OCW-staatssecretaris A. Nuis werkt de Inspectie Cultuurbezit al een half jaar aan de herkomst van delen uit de zogenaamde NK-collectie, genoemd naar de Stichting Nederlands Kunstbezit die na de oorlog de teruggave moest coördineren van uit Duitsland teruggekeerde kunst. Met betrekking tot de NK-collectie zijn intussen een vijftal claims en een dertigtal verzoeken om informatie binnengekomen. In april verschijnt het rapport over deze NK-steekproef.

“Wij zullen de kennis van de Inspectie Cultuurbezit uitvoerig gebruiken”, zegt Rik Vos, directeur van het overkoepelende Instituut Cultuurbezit Nederland. “De kwestie is problematisch. Tijdens en na de oorlog is op veel manieren kunst omgeschoffeld. Zo moesten burgers hun koper inleveren voor het maken van kogels. Musea kozen er eerst de mooiste stukken uit. We checken ook hoe de kunsthandel de objecten verwierf die de musea in die tijd aankochten.” De grootst mogelijke openheid zal worden betracht, aldus Vos, “maar we moeten wel eerst alles precies weten.”