Het vermogen om gelukkig te zijn

Ze is negentien, eerlijk, openhartig, gevoelig en sinds drie maanden diepgaand verliefd. Een half jaar geleden stuurde het lot haar een pijnlijke boodschap. Na weken van vreselijke buikpijn was ze in het ziekenhuis opgenomen, waar de doktoren hadden kunnen vaststellen wat ze had: de ziekte van Crohn, een ongeneeslijke darmziekte, die steeds weer ontstekingen veroorzaakt, en die, als hij echt toeslaat, de darmen kan verwoesten.

Ineens bleken veel mensen door deze ziekte getroffen te zijn, een ziekte die de onaangename eigenschap heeft zich in de late puberteit of de vroege volwassenheid te openbaren en die zo een doem legt over nog vrijwel ongeleefde levens.

Een poosje geleden kwam de pianist Andras Schiff aan het woord in een televisieprogramma over Bach, die hij zeer bewondert. Hij vertelde dat hij iedere dag begint met wat Bach te spelen, liefst 'Das wohltemperierte Klavier'. Dat is een goede oefening, zegt hij. En niet alleen dat, het is ook prettig: “It makes you feel happy to be alive.”

Het is altijd bijzonder als iemand zoiets zegt. Het voelt alsof even een deur openzwaait die zicht geeft op een geheim, het geheim van de levenslust. Het is het beste wat iemand kan doen, gelukkig zijn om in leven te zijn. Opstand, afkeer of tegenzin maken het leven, dat er nu eenmaal is, hoe het er ook uitziet, alleen maar zwaar. Toch liggen die gevoelens soms meer vooraan dan dat gevoel dat Schiff zichzelf elke dag probeert te bezorgen.

De zieke negentienjarige had na een half jaar haar tweede grote aanval van Crohn te verduren. Voorzichtige chirurgen vertelden haar ouders dat ze geschrokken waren van wat ze hadden aangetroffen in haar buik. Er waren gedeeltes darm weggenomen. Er was een tijdelijke stoma aangebracht. Met behulp van medicijnen werd het met slangetjes aan het leven verbonden meisje bewusteloos gehouden. In de nacht kwam ze een beetje bij. Met een viltstift schreef ze briefjes aan haar ouders. “Zijn jullie erg ongerust geweest?”

Ze heeft een enorm litteken, ze heeft een stoma, ze heeft een tijdbom in haar buik. Ze brengt desondanks bezorgdheid op voor de mensen die haar het naast staan. Ze heeft een geliefde die een van de liefste en wijste negentienjarige jongens moet zijn die er rond lopen, die overal met haar over durft te praten, alles durft te zien, en zo verliefd is dat hij haar met bom, stoma en al toch wil, steeds wil, aldoor wil. En zij hem.

Toch. Angst, afkeer, verdriet, tegenzin - die voeren allemaal hun aanvallen uit. Hoe moet het verder met zo'n leven.

Ze is de enige niet, anderen hebben hetzelfde te verduren en misschien ook nog eens zonder zo'n nauwe band, zonder een grote liefde die het hele leven wat beter te dragen maakt. Voor hen is het nog moeilijker om terecht te komen bij het gevoel dat het allemaal de moeite waard is, om niet te blijven steken in de vraag waarom ze dit nu toch moest overkomen - want die vraag ligt nogal voor de hand, al is hij dan niet te beantwoorden.

“O Zeus wat moet ik zeggen? Dat u de mensen ziet? Of dat men dat zomaar van u gelooft, vergeefs, en alles op de wereld door het toeval wordt bepaald?” roept Hekabe in Euripides' gelijknamige tragedie wanhopig uit. Geloof zou wellicht een goede troost zijn in moeilijke omstandigheden, maar juist in zulke omstandigheden wordt dat geloof zo enorm op de proef gesteld. Want welke barmhartige of goedertieren beschikking zou er achter een bijna ondraaglijk lot kunnen zitten? Dan klinken psalmen die spreken van vertrouwen, die bezweren dat ons niets kan overkomen zolang wij maar vertrouwen op God, als een bespotting. Vertrouwen, ja, maar waarin, overgave aan wat? Andere teksten lijken meer van toepassing: “Uw pijlen zijn op mij nedergekomen, uw hand is op mij neergedaald.”

Maar dat zijn allemaal grote woorden, vragen en begrippen. Te grote. In het ziekenhuis schuifelde over de gang een ongeveer veertienjarig meisje, sprietdun, wit gezichtje, verrijdbaar infuus in haar arm. Aan haar voeten zag je haar vorm van hardnekkig plezier in het leven: haar dunne benen verdwenen in twee enorme, lachende-hondensloffen.

In het programma van Hanneke Groenteman vertelde Connie Palmen onlangs dat ze na de dood van Ischa Meijer, de ergste gebeurtenis die haar had kunnen overkomen, enigszins tot haar ontzetting gemerkt had dat “je vermogen om gelukkig te zijn niet aangetast is”. Het geluk is aangetast, meer dan dat, het is weg, maar het vermogen om opnieuw gelukkig te worden bestaat nog steeds. Dat is, als er iemand gestorven is zonder wie je dacht niet te kunnen leven, een bijna stuitende ontdekking. Maar het is een heel troostrijke ervaring om door te geven aan al degenen die vrezen dat het leven ze nog maar weinig te bieden heeft.

Het is een van de wonderbaarlijke vermogens van mensen, om gelukkig te zijn onder allerlei, soms de meest verschrikkelijke omstandigheden, al is het maar voor even en op grond van soms maar heel weinig. Bach is natuurlijk niet heel weinig, maar in zeker opzicht zijn een paar maten muziek wel weinig. En soms is een verwaand rondlopende spreeuw in zijn uitbundig bespikkelde verenkostuumpje al genoeg, of dat de krokussen ook dit jaar weer hun plicht doen. Of zoals Erik Menkveld dichtte: “Ga maar even zitten/ denken aan zeer bepaald/ maar willekeurig zand/ ergens in de aarde,/ een verloren compositie/ van Anonymus, gevaar/ dat iemand liep in 1860,/ alle lucht die Coltrane/ ooit heeft ingeademd/ - en kijk eens wat een kleuren/ in de ramen van je tijdelijke/ huis bij lage zon.”

Merkwaardig genoeg is een van de beste en bemoedigendste voorbeelden van wat de levenslust kan, de getroffen negentienjarige zelf, al slaat ze soms dubbel van verdriet. Desondanks zijn er veel ogenblikken waarop ze laat zien hoe het moet. Ze verheugt zich, ondanks alles wat haar bedrukt, over kleurige vissen in een kom, over een lachbui met haar vriendje, over weer thuis zijn en weer verder leven. Van ogenblik tot ogenblik. “It makes you feel happy to be alive.”