Had Vonk maar Schönberg geleid!

Concert: Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Hans Vonk m.m.v. Anatol Ugorski (piano). Gehoord: 14/3 Concertgebouw Amsterdam. Radio 4 17/3 20.02 uur.

“Ik ben er tegen dat amandelen worden geknipt”, schreef Arnold Schönberg aan Alexander von Zemlinsky, die voorstelde om Pelléas und Melisande, Schönbergs groots opgezet symfonisch gedicht voor orkest (1902-3) op meerdere plaatsen in te korten. Hij vervolgde: “Ik weet dat je zelfs zonder armen, benen, neus, ogen, tong en oren leven kunt. Maar waarom zouden we iets moeten veranderen aan het programma van de Schepper? Ook lelijke of gebrekkige delen hebben hun plaats.”

Volgens een criticus hield het publiek bij de première zijn handen voor de oren. In de Matinee op de Vrije Zaterdag zaten we bedwelmd door de overweldigende klankpracht met de oren wijd open te genieten van wat nog het meeste weg heeft van een visionaire Richard Strauss.

Schönberg was overigens wel wat gewend. Over Verklärte Nacht, dat aan de Pelleas vooraf gaat, viel te lezen: 'Gott schütze uns in Zukunft vor dieser Species!' Maar dat een van zijn beste vrienden iets wilde schrappen in zijn eerste grote orkestwerk, dat ging toch echt te ver. Met name de gewraakte maten 50-55 hield hij voor de beste. De vele regelmatige sequenzen daarvóór definieerde hij als een zwaktebod, maar op genoemde plaats is de beweging vrijer en verrassender, enigszins versluierend.

Daarmee raakte hij de kern, de muziek is op zijn best als hij op drift raakt en zwevend wordt: de tonaliteit, de melodische gang, de 'hangende' kwarten. Daar geef ik alle virtuoze effecten zoals de trombone-glissandi graag voor cadeau. Verreweg het meest geslaagd is de melodie als uitgebreid leidmotief voor Golaud, de jaloerse echtgenoot van Mélisande die het drama op gang brengt. Schönberg volgt het toneelstuk van Maeterlinck op de voet, in de Pelléasmuzieken van Fauré en Sibelius gaat het uitsluitend om sfeer.

Gewaagder samenklanken en een dichtere polyfonie deren ons niet, de vertrouwde wereld van de laat-romantiek (Strauss, Wagner, Mahler, Reger), blijft in tact. De tijdgenoten echter schrokken wel degelijk van die verschillen. Ik denk dat ze meer vrede hadden gehad met zo'n uitvoering als zaterdag in het Concertgebouw onder Hans Vonk, die de dichtgeslibte polyfone figuraties inzichtelijk maakte. Een vertolking die eerder naar transparantie dan naar sensualiteit streefde, steeds weer nauwkeurig opbouwend vanuit het pianissimo bij rusten en dubbele maatstrepen.

Zo veel aandacht als aan Schönberg was niet besteed aan de begeleiding van Brahms eerste Pianoconcert - ook Brahms eerste monumentale muziek ging tijdens de première volledig de mist in - er heerste nogal wat onrust. Bovendien koos Anatol Ugorski een langzamer tempo dan Vonk. Dat herinnerde aan Glenn Gould, die in 1962 de kamermuziekkwaliteiten in dit zo symfonisch opgezette werk naar voren wilde halen en een zo traag tempo, dat dirigent Leonard Bernstein vóór het concert daarover een verklaring gaf. Gould hield niet van heroïek en zeker niet van de gebruikelijke overgedramatiseerde titanenopvatting in zo'n Brahmsconcert. 'Maestoso' stond boven het eerste deel en Gould was van mening dat dit meerdere wijzen is te realiseren. Hij had ongelijk, want in Brahms handschrift staat wel degelijk een vrij snelle metronoomaanwijzing, al verscheen die niet in druk.

De even eigenzinnige Ugorski speelt nogal zacht waar Brahms nadrukkelijk forte noteert, maar al was dit dan geen uitvoering met handen en voeten, eerder een vergeetelijkte, Ugorski's weergaloze techniek, de ongeëvenaarde toonvorming en de steeds originele oplossingen brengen je op de knieën. Eén keer noteert Brahms quasi fantasia en dat is Ugorski te weinig. Evenals Zemlinsky heeft deze estheet moeite met lelijke of gebrekkige fragmenten.