Een te particulier document

De film Laatste woorden: mijn zusje Joke van Johan van der Keuken, die de VPRO gisteravond uitzond, zal mij niet bijblijven als een van de indrukwekkendste documentaires die ik ooit over sterven heb gezien.

Waarom niet? Alle ingrediënten voor een aangrijpende film leken immers aanwezig. Een filmer, een gerenommeerde nog wel, krijgt toestemming van zijn zus om haar in haar laatste weken te filmen. Ze nemen tegenover elkaar een openhartige houding aan. De balans van haar leven mag zonder terughouding worden opgemaakt.

Joke vertelt onopgesmukt over haar ziekte, haar euthanasiewens, haar moeilijke jeugd en haar kinderen. Hoe geëmotioneerd ze soms ook is, ze heeft haar lot aanvaard.

“Ik laat dingen achter die ik mensen aangereikt heb”, zegt ze. “Ik weet niet of er hierna iets is, dat vind ik ook niet zo belangrijk, het gaat erom dat ik het hier goed achterlaat. Ik kan het accepteren. Ik heb een rijk, goed leven gehad. Nou ja, dat is het dan.”

Er waren zeker momenten waarop de film ontroering en mededogen opriep, maar er groeide bij mij ook een onbehaaglijk gevoel. Een ons onbekende vrouw sterft. Haar broer is toevallig filmer en hij besluit zijn laatste gesprekken met haar vast te leggen. Is dat voldoende legitimatie om het ons allemaal te laten zien? Moet er inhoudelijk niet een extra dimensie zijn om zo'n film te laten uitstijgen boven het particuliere domein van een familiegeschiedenis?

Liever wel, want anders ga je je als kijker toch een beetje overbodig voelen, een ongenode gast bij een sterfbed waar je niets te maken hebt: je liep toevallig de verkeerde ziekenhuiskamer binnen waar iemand, die je nooit eerder gezien had, stervende was.

We kregen onvoldoende mogelijkheden om ons te identificeren met Joke. Van der Keuken gooide ons zonder veel uitleg in het diepe van haar leven: dit was Joke, ze had iets gedaan bij de Jellinek-kliniek, ze had een slecht huwelijk achter de rug en ze had lieve dochters - wilden we daar maar even notitie van nemen?

Uiteindelijk vertelde de film ons zowel over het stervensproces als over Joke te weinig. Het was alsof Van der Keuken aarzelde tussen twee thema's: sterven aan kanker en de levensloop van Joke. Die thema's bleven min of meer zelfstandig naast elkaar bestaan, ze werden te weinig op elkaar betrokken. Dat was voor mij het grote verschil met het zelfportret dat Ed van der Elsken destijds in het zicht van zijn dood maakte.

Impliciet, en geheel toevallig, was Van der Keukens film een ondersteuning van het pleidooi dat D66'er Van Boxtel eerder op de dag, in Buitenhof, voor een betere euthanasiewetgeving had gehouden. Luisterend naar Joke, moest ik af en toe denken aan de tegenstanders van euthanasie die ons altijd de zegeningen van het met palliatieve middelen verzachte levenseinde voorhouden. Joke vertelde ons hoe moeilijk het soms was om de pijn onder controle te houden en hoe beroerd ze werd van de ontwenningsverschijnselen na morfinegebruik.

Een andere opmerkelijke verschijning in Buitenhof was president-commissaris F. Maljers van Philips. Hij probeerde ons uit te leggen dat hij tegen verslaggevers van deze krant 'het misschien wel gezegd had, maar in een ander verband'. Het ging over de miljarden guldens overheidssteun voor Philips waarvan Maljers gezegd zou hebben dat ze 'weinig concrete resultaten heeft opgeleverd'.

Als hij het 'misschien' inderdaad gezegd heeft - hoe heeft hij het dan bedoeld? Dat bleef mistig. Maljers probeerde een Huibregtsen-variant waarin hij steeds verder vastliep. Hij had het industriebeleid in het algemeen bedoeld, zei hij. Bovendien was de helft van de research 'altijd weggegooid geld'.

Ik kan niet zeggen dat ik na deze mededelingen geheel gerustgesteld mijn belastingformulier ging invullen. Als ik, als financiële leek, Maljers goed begrepen heb, dan wordt de staatssteun niet alleen door Philips, maar door álle bedrijven over de balk gegooid.

Laten we het er maar, omwille van onze gemoedsrust, op houden dat Maljers dit alles in Buitenhof 'misschien' wel gezegd heeft, maar 'in een ander verband' dan wij met onze suffe hersens konden begrijpen.