Economie Kosovo lijkt op zwart gat

Albanezen en Serviërs in de Joegoslavische provincie Kosovo zuchten onder het lot dat iedereen in een oorlogsgebied treft: dalende productie en achterstallige lonen. Honderdduizenden 'rijke' Albanezen in West-Europa moeten de economie er met donaties weer bovenop helpen.

BOEDAPEST, 16 MAART. Wie in Kosovo een toekomst zoekt of geld wil verdienen, gaat naar het buitenland. Vanaf het begin van de jaren negentig,toen Belgrado een einde maakte aan de staatsrechtelijke autonomie van het gebied, hebben tegen de 400.000 mensen het gebied verlaten. Niet alleen uit protest tegen de Servische overheersing en de schending van de Albanese rechten, maar vooral ook om economische redenen.

Al in de oude Joegoslavische federatie was Kosovo (een bergachtig landbouwgebied) traditioneel arm.

Terwijl deelrepublieken als Kroatië en Slovenië harde valuta begonnen te verdienen met hun toerisme en handel met het buitenland bleef Kosovo een zwart gat, waar tot grote ergernis van de rijkere deelrepublieken duurverdiende federatiegelden naar toe vloeiden. Het was zelfs één van de argumenten van Kroatië en Slovenië om uit de federatie te willen.

De politieke ontwikkelingen vanaf 1990 hebben voor de Albanezen van Kosovo catastrofale economische gevolgen gehad. In 1992 besloot de Albanese leiding de politieke en economische samenwerking met de Servische autoriteiten op te zeggen.

De officiële economie hield, wat de Albanezen betreft, min of meer op te bestaan. Werk is er nu alleen in de - eigen Albanese - dienstensector, bij de internationale organisaties in het gebied, in de beperkte handel en vooral op de zwarte markt. Tijdens het handelsembargo tegen klein Joegoslavië, dat tot december 1994 van kracht was, hebben de Albanezen druk benzine en sigaretten over de grens gesleept vanuit het aangrenzende Macedonië en Albanië.

Na de oproer in Albanië zelf van vorig jaar toen de bevolking de wapendepots leegplunderde, is ook de wapenhandel een belangrijke factor geworden.

Volgens berekeningen van het Economische Instituut van Pristina (de hoofdstad van Kosovo) ligt het aandeel van inkomsten uit vast werk op niet veel meer dan 10 procent. De rest wordt dus bij elkaar gescharreld. Maar ook dat is niet genoeg om de 1.8 miljoen Albanezen van Kosovo van hun dagelijks brood te voorzien en hun parallele gezondheidszorg- en onderwijssystemen draaiend te houden.

De economie van Kosovo drijft niet op eigen kracht, maar op de kracht van de Albanezen in het buitenland. Sinds 1992 dragen deze Albanezen in de diaspora 3 procent van hun eigen inkomen bij aan het functioneren van de eigen 'onafhankelijke' staat. Althans, dat is het principe en de Albanese leiders in Kosovo hebben altijd de grootste moeite gehad om dat geld ook binnen te krijgen.

Op dit moment lijkt er echter sprake van een grote 'financiële mobilisatie', met name onder de Albanezen in Duitsland. En dat zijn er honderdduizenden.De Servische bevolking van Kosovo, en dat zijn er enkele tienduizenden (zo'n 10 procent van het totaal), ondergaat intussen het economisch lot dat alle inwoners van Servië treft.

De meeste Serviërs in Kosovo zijn oudere boeren die zichzelf in leven houden van een klein stukje land. Wie aangewezen is op werk in één van de fabrieken ondergaat het lot van alle arbeiders in het land: achterstallige lonen en dalende productie.

Onder de economische sancties, die van begin 1992 tot eind 1994 duurden, heeft de industriële productie rake klappen opgelopen. Het uitblijven van economische hervormingen en privatisering maakt dat de Servische industrie nog verder stagneert.

    • Renée Postma