Dictators profiteren van anarchie

De wereldgemeenschap is zeer verdeeld over de omgang met hedendaagse dictators, zo bewijzen de crises met Irak en Kosovo. De Verenigde Staten willen niet altijd de leiding nemen, en andere grote landen hebben toch al moeite met de Amerikaanse rol. Saddam Hussein en Slobodan MiloviEÉc varen daar wel bij, stelt Robert van de Roer.

De ene crisis is nauwelijks bezworen en de dictator voorlopig teruggedrongen in zijn hoek of de volgende crisis met een potentaat heeft zich alweer aangediend: de Iraakse leider Saddam Hussein en de Joegoslavische president Slobodan MiloviEÉc verschillen zeer van elkaar maar hebben ook veel gemeen. Hun grootste gemene delers zijn de problemen waarvoor zij de buitenwereld stellen. Beide regionale leiders zijn er de afgelopen weken in geslaagd de wereldgemeenschap op het hoogste niveau te tarten en uit elkaar te spelen.

De crises met Saddam & 'Slobo' lijken - dichterbij huis - op de handel en wandel van twee zware criminelen, die ongestoord hun gang gaan, omdat de politieleiding eindeloos op het bureau vergadert of ze wel iets hebben misdaan, of de politie wil, mag en moet uitrukken, welke agenten er meegaan en of ze wapens meenemen. Zoiets klinkt onacceptabel in een rechtsstaat. Maar op het wereldtoneel gelden andere normen voor recht en orde, zo bewijst het curriculum vitae van menig dictator deze eeuw.

De Iraakse en Joegoslavische leiders hebben vooral de Verenigde Staten in het nauw gedreven. De enig overgebleven supermacht heeft sinds het einde van Koude Oorlog al vaker gezegd niet 's werelds politieman te willen zijn. Maar de afgelopen weken leek Amerika in de rol van knorrige veldwachter gedrongen: Washington uitte gespierde taal, dreigde met luchtaanvallen of militaire interventie, moest koppen tellen en coalities smeden. Meer dan eens leken de VS dit niet naar volle overtuiging te doen, en evenmin schadevrij. Ongeacht de definitieve uitkomst van beide crises, rijst de vraag of het moeizame Amerikaanse optreden en de dwarse houding van andere landen het leiderschap van Washington hebben ondermijnd.

De VS bewezen in 1995 dat het ook anders kan: onder leiding van hun diplomatieke stormram Richard Holbrooke stevenden zij in drie maanden tijd af op een vredesakkoord voor Bosnië. De Amerikanen walsten, met diplomatie en militaire kracht, over de Europeanen heen alsof de vier voorafgaande jaren van verdeeldheid nooit hadden bestaan. Amerika leek weer even de supermacht uit de Koude Oorlog of uit de Golfoorlog. Velen in het Westen haalden opgelucht adem dat Uncle Sam niet was veranderd, tegelijkertijd ergerden velen zich daar juist aan, namelijk dat Uncle Sam nog steeds een dwingeland was. Iedereen leek op dat moment even vergeten dat de Amerikaanse buitenlandse politiek werd aangevoerd door de zeer behoedzame advocaat Warren Christopher, die geen eigen strategische visie ontwikkelde. Christopher regeerde niet, hij reageerde.

Nu, amper twee jaar later, zijn de Amerikanen binnen enkele maanden twee keer op een muur van onwil bij hun bondgenoten gestuit, zonder dat een structurele diplomatieke oplossing dichterbij is gekomen. En dat met een minister van Buitenlandse Zaken die zich bij haar aantreden begin 1997 als een activiste typeerde. Maar voorlopig heeft de gedreven Madeleine Albright haar retorische kwaliteiten nog niet in grootse daden omgezet. De uitbreiding van de NAVO naar Oost-Europa heeft ze tot nu toe soepel geleid, al was dat voor haar - Tsjechische van geboorte - bijna een thuiswedstrijd. Acuut crisismanagement daarentegen zoals in het Midden-Oosten, Irak en nu Kosovo gaat haar minder gemakkelijk af.

In de Irak-crisis dreigden de Amerikanen al in een zeer vroeg stadium vorig najaar met geweld, om daarna onverhoeds te moeten vaststellen dat hiervoor nauwelijks internationale steun bestond. In de kwestie-Kosovo dreigden de Amerikanen eveneens in een zeer vroeg stadium met militaire interventie, om er daarna maar niet meer over te beginnen, alweer bij gebrek aan evidente steun. De nieuwste sound bite van dit vooruit-achteruit-leiderschap van de regering-Clinton is: “Alle opties blijven open.”

Washington mag dan voor velen in het Westen moreel gelijk hebben dat Saddam & Slobo alleen met geweld kunnen worden aangepakt, in politieke termen denken veel leiders daar anders over, ook in het Westen. Frankrijk en Rusland zijn de belangrijkste 'dwarsliggers'. Parijs heeft Washington in beide crises niet gesteund: bij 'Irak' bepleitten de Fransen een diplomatieke aanpak, bij 'Kosovo' wilden zij het vorige week tijdens spoedberaad in Londen slechts laten bij een dreigement met sancties. Rusland koos in de Irak-crisis ook meteen voor een diplomatieke aanpak en trok in de kwestie-Kosovo zelfs zijn neus op voor diplomatiek beraad, getuige de demonstratieve afwezigheid van minister van Buitenlandse Zaken Jevgeni Primakov vorige week in Londen.

Frankrijk en Rusland hebben in beide gevallen geen doorslaggevende alternatieven gepresenteerd of een anderszins beslissende rol gespeeld: Irak is na Franse en Russische voorstellen voor aangepaste wapeninspecties - tijdelijk? - bezworen door de stuurmanskunst van VN-chef Kofi Annan, en Kosovo is zelfs nog niet tijdelijk opgelost.

Het ligt voor de hand de eigen Franse en Russische standpunten meteen terug te voeren op economische belangen, vriendschappen of invloedssferen, maar er is meer aan de hand. Is het dwarsbomen van de Amerikaanse suprematie voor Rusland, Frankrijk en ook China een doel op zich geworden? Deze landen hebben steeds minder moeite hun gevoelens van rivaliteit te verbergen. De Russische president Jeltsin en de Chinese leider Jiang Zemin hekelden vorig jaar april de Amerikaanse dominantie in de wereld. “Geen enkel land zou uit moeten zijn op hegemonie, zou een machtspolitiek moeten voeren of zou internationale aanlegenheden moeten monopoliseren”, zeiden zij in een gezamenlijke verklaring met een duidelijke verwijzing naar de VS. Zij betuigden steun aan pogingen “een multi-polaire wereld en een nieuwe wereldorde” te scheppen.

Rusland wil door zich af te zetten tegen de VS nog enigszins het imago van een supermacht ophouden, maar dit kan de tanende politieke macht niet maskeren. Het ijltempo waarin de door de VS geleide NAVO zich tot aan zijn landsgrenzen uitbreidt zonder dat Rusland daar reële invloed op kan uitoefenen, is een vernedering die de Moskouse politieke elite voorlopig niet te boven is. Frankrijk zoekt ook na de Koude Oorlog naar een nieuwe plaats tussen de grote landen, maar in veel meer dan anti-Amerikanisme is dit nog altijd niet uitgemond. De twisten tussen Parijs en Washington over NAVO-kwesties, Afrika en handel hebben zich de afgelopen jaren aaneengeregen.

De top van de wereldgemeenschap blijkt zeer verdeeld over de omgang met hedendaagse dictators. Nu moet gezegd: Saddam & Slobo zijn ervaren splijtzwammen en bedreven in de kunst van het overleven. Zij hebben de afgelopen jaren, ieder op hun eigen manier, bewezen te weten hoe ze de verdeeldheid in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties moeten exploiteren en hoe ze steun moeten krijgen in hun eigen regio, de één in de Arabische, de ander in de Slavische wereld. Zelfs jarenlange embargo's van de VN hebben hun machtsbasis niet wezenlijk aangetast, ook al lijdt hun bevolking. En beiden hebben het politiek-kwakkelende Rusland als belangrijkste bondgenoot.

Hun aanwezigheid in de regio staat nog garant voor jarenlange onrust. Saddam & Slobo slagen er in de VS de spiegel voor te houden: wat is de Amerikaanse rol in de wereld? Geen politieman meer, maar wat dan wel? Altijd chef van de NAVO, maar niet steeds van de VN? Freelance-leider op ad hoc-basis? Ook de andere landen moeten in de spiegel kijken: wat stellen zij daar zelf tegenover?

Universele lessen worden met moeite geleerd en oude wetten snel vergeten, zo blijkt. Na Bosnië bejubelde de internationale gemeenschap de combinatie van diplomatie en militaire kracht - carrot and stick - als een succesformule voor crisisbeheersing, ofschoon het slechts de zoveelste heruitvinding was. In de Irak-crisis duurde het vier maanden voordat deze methode opnieuw in praktijk werd gebracht, al was dat meer een toevallige uitkomst van het spontane verzet van de andere landen tegen mogelijk Amerikaans militair optreden tegen Bagdad dan een zorgvuldige geregisseerde strategie. Nog geen drie weken later bestaat alweer verschil van mening tussen de grote landen hoe de Europese potentaat MiloviEÉc, in 1991 de aanstichter van de Joegoslavische oorlogen, moet worden aangelijnd of zelfs maar onder druk gezet.

Na de Koude Oorlog propageerden de VS korte tijd een Nieuwe Wereldorde, maar dat idee kwam niet van de grond. Het is de vraag of zo'n orde wel levenskansen heeft als zelfs twee regionale dictators de raderen van de wereldgemeenschap zo gemakkelijk kunnen laten vastlopen. Waar na de Koude Oorlog orde en leiderschap verwacht werden, heersen voorlopig anarchie en coalitievorming. Leven wij in een unipolaire of multipolaire wereld, lijkt de verwarrende vraag voor de toekomst. Een wereld zonder machtsevenwicht? Een wereld die als een pendule heen en weer slingert tussen coalities en polarisatie: op zoek naar consensus en samenwerking - in crisisbeheersing of handel - met als keerzijde: conflict en escalatie als overeenstemming niet mogelijk blijkt? De antwoorden zijn niet voorspelbaar.

Washington wil niet altijd meer alleen de leiding nemen, maar nog vaak genoeg wel. Deze ambivalentie - geen politieman meer maar nog wel de machtigste natie - maakt het bestuur van de wereld niet overzichtelijker. Andere landen stellen het volledige Amerikaanse leiderschap ook niet altijd meer op prijs en zelfs hun aanvaarding van afgeslankt Amerikaans leiderschap is niet zeker. Zo'n orde - of wanorde? - roept, zonder dat de grote landen daar veel greep op hebben, de crises over zichzelf af. En voorlopig profiteren Saddam & Slobo van deze mondiale anarchie.