'De langspeelplaat is weer op de weg terug'

Jaco van Witteloostuyn, auteur van een boek over de historie van de langspeelplaat, ziet dat de bijna verdwenen lp weer geliefd is bij de ware muziekliefhebber. De productie neemt zelfs weer flink toe.

Jaco van Witteloostuyn: The Classical Long Playing Record. uitg. A.A. Balkema Rotterdam. ƒ 195,-

HEEMSTEDE, 16 MAART. Pas na enkele uren geeft Jaco van Witteloostuyn toe dat hij ook een paar compact discs in huis heeft. “Sommige muziek wordt nu eenmaal alleen op cd gezet.” Maar de cd's en de cd-speler blijven onzichtbaar verborgen achter de deuren van een antieke kast in de ruime salon van zijn Heemsteedse huis. Daarentegen heeft de kast met lp's een prominente plaats, evenals de twee enorme electrostaat-luidsprekers.

Van Witteloostuyn houdt niet van cd's, hij is een gedreven liefhebber van lp's. In de kamer staat een vrij bescheiden collectie van enkele meters - vooral veel kamermuziek. Op verschillende plaatsen elders in huis staan veel meer lp's, vele tientallen meters bij elkaar. In een zijkamer beneden en op de eerste verdieping staat een flinke voorraad tweedehands-exemplaren. Een paar dagen in de week bedrijft Van Witteloostuyn daarmee een handel aan huis. Op zolder is de collectie wat meer privé, daar liggen nog allerlei curiosa.

Het is een deel van het studiemateriaal dat leidde tot het fraai uitgegeven boek The Classical Long Playing Record. Het telt meer dan vijfhonderd pagina's en is ruim in kleur geïllustreerd met afbeeldingen van vele, fraai ontworpen platenhoezen. Het boek heeft een zeer persoonlijke toets. Zo citeert Van Witteloostuyn in zijn inleiding gedichten van Hesse (Symphonie), Ida Gerhardt (Contrapunt) en Schuberts lied An die musik.

“Het is het resultaat van een uit de hand gelopen hobby”, constateert Van Witteloostuyn op laconieke toon. Tot voor kort was hij manager bij de juridische faculteit van de Vrije Universiteit in Amsterdam en het tweeëneenhalve kilo wegende boek, waaraan Van Witteloostuyn jaren heeft gewerkt, is het eerste ter wereld in zijn soort. Het is onder andere uniek door het 270 pagina's tellende register van platenmaatschappijen en labels over de hele wereld die 33-toeren lp's hebben uitgebracht, compleet met nummers en coderingen. “Het was een zooitje, dus dat moest een keer gebeuren. Discografen hoeven nu minder werk te doen.”

In The Classical Long Playing Record beschrijft Jaco van Witteloostuyn meer dan 350 jaar fonografische historie. 'Design, production, reproduction - A comprehensive survey' luidt de ondertitel van het in het Engels geschreven werk. “Het is voor serieuze muziekliefhebbers, verzamelaars, platenmaatschappijen en mensen, die professioneel bezig zijn met het verhandelen van nieuwe en tweedehands lp's, bibliotheken en conservatoria. En het is voor iedereen die is geïnteresseerd in design, in de toegepaste kunst op de hoes. De cd is nu zo klein dat je er visueel gezien bijna niets van belang op kwijt kunt en ook de boekjes zijn onhandig klein en bijna onleesbaar.”

De geschiedenis van het vastleggen en reproduceren van geluid begint met het verbazingwekkende verhaal dat de Hollandse kapitein Vosteclock deed in de Amsterdamse Opregte Koerier van 23 april 1632. In Zuid-Amerika had hij gezien dat mensen elkaar boodschappen overbrachten door die eerst te spreken in een soort spons en die naar hun vrienden te sturen. “Het volstaat dan dat deze er zachtjes op drukken om de woorden eruit te doen komen en te weten wat hun vrienden wensen.”

Van Witteloostuyn kan over dit verbazingwekkende verhaal helaas geen opheldering verschaffen. Maar ook al zou het zijn verzonnen, dan nog zou het de conceptuele fundering zijn van de huidige muziekindustrie. Andere hoogtepunten in de vroege fonografische historie zijn de laat-17de eeuwse wens van Athanasius Kircher dat het mogelijk zou moeten zijn om de menselijke stem vast te leggen en de ontwikkeling van de Sprechmachine door Wolfgang von Kempelen in 1778. Een eeuw later, in 1877, vond Thomas Alva Edison de fonograaf uit en de grote platenmaatschappijen vieren dezer jaren hun eeuwfeest met de heruitgave van talloze oude opnamen op cd.

Na de vermelding van de introductie van de compact disc in 1983, besluit Van Witteloostuyn zijn fonografische historie met de vaststelling dat rond 1990 een publieke discussie op gang kwam over de vraag waardoor de cd weer zal worden vervangen: de digitale bandopname, de mini-disc, de mini-chipcard of iets heel anders.

Volgens Van Witteloostuyn ontstaat er om kwalitatieve redenen weer belangstelling voor de lp en worden er daarvan weer meer geproduceerd dan voorheen. “EMI heeft in Engeland de lp-fabriek in Hayes heropend. Bij de popmuziek gaat het vinyl nog veel beter. Ik weet er niet zoveel van, maar bepaalde groepen eisen van platenmaatschappijen dat er naast de cd ook een lp wordt gemaakt.

Olav Vlaar van de fonografische branche-organisatie NVPI in Hilversum bevestigt de herleving van de lp, ook al benadrukt hij dat bij zulke lage aantallen een geringe stijging een wel erg spectaculaire indruk maakt. In 1996 werden in ons land 200.000 lp's verkocht ter waarde van 3 miljoen gulden. De cijfers over 1997 zijn nog niet geheel bekend, maar Vlaar acht het mogelijk dat het aantal vorig haar is gestegen tot 300.000 of zelfs 400.000. De cd-verkoop van rond de 35 miljoen stuks heeft een waarde van een miljard gulden.

Van Witteloostuyn begint een lofzang op de draaitafels van Thorens, de Zwitserse fabrikant die middels speeldozen ervaring opdeed met het draaien met een eenparige snelheid. “Ook in Nederland, waar grondig opruiming is gehouden, zijn pick-ups en draaitafels de laatste vijftien jaar altijd verkrijgbaar gebleven. In de kwaliteit van elementen is nog altijd progressie, dat heeft nooit stilgestaan. Ik merk dat de lp niet passé is. Wie je er ook over spreekt: de lp is actueel. Men begint te twijfelen aan de kwaliteit van de cd, wat mij betreft terecht. De cd is prachtig, handig. Maar we hadden het toch over muziek en niet over een commodity?”

“Bij de lp is de uitstraling beter, maar belangrijker is de muzikale lading. Bij het digitale proces - het vertalen van geluidstrillingen in de nullen en enen die op de cd staan - gaat een stukje informatie over de muziek verloren, de boventonen zijn er uit. In de vakliteratuur lees ik dat men tegenwoordig zegt dat men nu technisch verder is. Maar het analoge geluid is toch beter.”

Van Witteloostuyn krijgt in zijn kritiek op het cd-geluid nu ook gelijk van de grote electronicafabrikanten. Die gaan het bereik van de cd uitbreiden. “Het digitaliseren is wat mij betreft voor klassieke muziek dodelijk - ik vind het heel slecht. Voor popmuziek ligt dat anders: daarbij gaat het toch al veel meer over electronica, die daarin een eigen waarde heeft. In de jazz wil ik ook niet te veel gedoe met electronica, maar dat komt misschien ook omdat ik ben opgegroeid met de jazz van de jaren '50.

“Natuurlijk, het referentiekader van de huidige generaties is muzak en het tv-geluid, dat technisch gezien erg beperkt is. Het kan zijn dat men daarom al snel tevreden is met de beperkte frequentieweergave van de cd. Maar als de cd-kopers vaker muziek zouden horen in een goede concertzaal, zou men zich wel eens achter de oren krabben. Mijn voorkeur ligt bij de lp. Hoe gezegend de cd-ontwikkeling ook is voor cd-rom, de lp zal het uiteindelijk muzikaal gezien winnen.”