De gang van de olifant

OP HET EERSTE gezicht heeft het veel weg van een herhaling van zetten. Net als na de vorige verkiezingen in 1996 heeft het Indiase staatshoofd de leider van de Bharatiya Janata Party (BJP) in de gelegenheid gesteld een nieuwe regering te vormen. En net als toen beschikt deze nationalistische hindoepartij, die weliswaar licht won en opnieuw de grootste werd, niet over een absolute meerderheid in het parlement, zelfs niet met haar huidige bondgenoten.

Het oordeel dat de afgelopen weken in de grootste democratie ter wereld vervroegd van de kiezers was gevraagd om de politieke impasse te doorbreken, heeft niet de gewenste stabiliteit gebracht. De tijd is voorbij waarin één partij in India de dienst kan uitmaken.

Toch heeft BJP-leider Vajpayee dit keer een grotere kans om langer aan de macht te blijven dan de dertien dagen die hem in 1996 waren beschoren. De in verwarring verkerende Congrespartij heeft bij monde van haar nieuwe voorzitter Sonia Gandhi president Narayanan laten weten niet in staat te zijn een regering te vormen. En onder die omstandigheden moet de BJP-voorman in het meer dan ooit gefragmenteerde veld van de Indiase politiek de afgevaardigden kunnen vinden die nodig zijn om hem aan een meerderheid te helpen.

Doorstaat de BJP dit keer de parlementaire test, en Vajpayee blijft ondanks tegenslagen groot vertrouwen uitstralen dat hij zal slagen, dan zal de regionale supermacht India voor langere tijd geleid worden door een partij die het wantrouwen van grote delen van de bevolking, van de buurlanden en van de rest van de wereld meer dan waard is.

ALLEREERST STAAT de BJP te boek als de partij die fanatiek streeft naar een renaissance van het hindoeïsme in India. Ze heeft eind jaren tachtig, begin jaren negentig laten zien het geweld niet te schuwen. De verwoesting in 1992 van de eeuwenoude moskee in Ayodhya - omdat op die plaats de hindoegod Ram zou zijn geboren - en de daaropvolgende bloedige godsdienstrellen zullen met de hindoenationalisten verbonden blijven. De partij heeft het voornemen om er een tempel te bouwen niet opgegeven, wat een uitgekiend recept lijkt voor nieuw geweld. De verzekering dat India ook onder de BJP een seculiere staat blijft en dat de meer dan 120 miljoen Indiase moslims veilig zijn, overtuigt niet.

Verder wil de BJP dat de wereld meer rekening houdt met India, een doelstelling waar op zichzelf genomen niets op tegen is. Anders is het met de wijze waarop: door het nadrukkelijk profileren van India als kernmacht - waarmee afstand wordt genomen van het mondiale streven naar non-proliferatie - en door het op de spits drijven van de uiterst gevoelige kwestie-Kashmir, een potentiële casus belli voor buurland Pakistan.

TEN SLOTTE HEEFT de partij zich bijzonder kritisch getoond ten opzichte van de broodnodige liberalisering van de Indiase economie, die de afgelopen jaren aarzelend is ingezet. Ze heeft onder andere fel campagne gevoerd tegen de komst van buitenlandse fast food-restaurants, omdat deze de Indiase cultuur zouden bedreigen. En ook al is het oorspronkelijke standpunt dat alle multinationale ondernemingen het land moeten verlaten intussen verzacht, de voorrang die de eigen bedrijven in het vooruitzicht is gesteld baart zorgen omdat dit verdere economische liberalisering en privatisering zal remmen.

Het zijn ingrediënten voor politieke, sociale en economische spanning die het land niet kan gebruiken. De grote vraag is of de om zijn onkreukbaarheid en deskundigheid gerespecteerde Vajpayee het zo ver zal laten komen. Veel Indiërs uit de hogere en middenklassen die, onder andere uit ongenoegen met de corruptieschandalen binnen de Congrespartij, op de BJP hebben gestemd, geloven dan ook dat de partij zich in de praktijk gematigd zal opstellen. Al was het maar omdat ze te maken heeft met een heterogene coalitie die radicale uitwassen zou kunnen voorkomen. Maar dat argument is vaker gehoord bij het aantreden van regimes die niet schroomden later hun ware gezicht te laten zien.

In deze situatie is de malaise verontrustend waarin de Congrespartij, die cruciaal is geweest voor de natievorming van India, verkeert. Alleen met het exploiteren van de mythe van de Nehru-Gandhidynastie - in de figuur van Sonia Gandhi, de weduwe van de in 1991 vermoorde Rajiv Gandhi - wist de partij groot stembusverlies te voorkomen. Het tekent de armoede aan ideeën en het is te vrezen dat het nog lang zal duren voordat het vermolmde politieke kader weer sterk genoeg zal zijn om een vitale partij te dragen.

INDIËRS, AAN wie anarchistische trekjes niet vreemd zijn, vergelijken hun land graag met een olifant. Het zou door zijn omvang en democratisch systeem slechts langzaam veranderen en zijn bevolking zou autoritaire ingrepen op den duur afstraffen - zoals Indira Gandhi in de jaren zeventig ondervond. Snelle successen zijn niet te verwachten, wel gestage vooruitgang. Abrupte koerswijzigingen zijn bovendien problematisch. Die bleken met nadelen gepaard te gaan in de paternalistisch geregeerde Aziatische 'Tijgers', en in China. India is vaak meewarig bekeken, omdat het achterliep. Maar de recente Aziatische crisis treft het land nu slechts in geringe mate.

De vraag is hoe de BJP de gang van de olifant zal weten te beïnvloeden. Het dier kan gemoedelijk blijven voortsjokken, maar het kan, mits geprikkeld, ook een allesverwoestende furie veroorzaken. In dat laatste geval zullen de gebeurtenissen niet aan de wereld voorbijgaan.