Arts niet meer verdacht bij euthanasie

D66 wil euthanasie uit het strafrecht halen. De politieke loopbaan van een heikel onderwerp.

DEN HAAG, 16 MAART. “Ontwerp D'66 euthanasie is in Kamer kansloos”, kopte deze krant op 13 april 1984. Het bericht betrof een initiatief-wetsontwerp van het Tweede-Kamerlid E. Wessel-Tuinstra, die had voorgesteld de invloed van het strafrecht op hulpverleners die betrokken zijn bij euthanasie of zelfdoding te beperken. Euthanasie zou weliswaar strafbaar blijven, maar de arts mocht euthanasie toepassen als aan een aantal zorgvuldigheidseisen werd voldaan. Voor het regelen van de levensbeëindiging bij wilsonbekwamen, zoals baby's en mensen in coma, vond D'66 het nog te vroeg.

'PvdA en VVD staan sympathiek tegenover voorstel democraten' stond er vanmorgen, veertien jaar na Wessel-Tuinstra's voorstel, boven de berichten waarin een nieuwe intitiatief-wet van D66 wordt aangekondigd. Tweede-Kamerlid Van Boxtel wil de strafbaarheid van euthanasie volledig opheffen. In zijn voorstel, dat hij in de loop van deze maand zal indienen, staat dat een arts die op uitdrukkelijk verzoek euthanasie uitvoert, zich moet houden aan in de wet vastgelegde zorgvuldigheidseisen. Eerder door de D66-ministers Sorgdrager en Borst voorgestelde 'regionale commissies' met een arts, ethicus, medicus en verpleegkundige moeten achteraf beoordelen of dit het geval is. Uitgangspunt is dat de arts niet langer hoeft aan te tonen dat hij juist heeft gehandeld, maar dat het justitie is die moet bewijzen dat de arts dit onzorgvuldig heeft gedaan.

De artsenorganisatie KNMG en de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie (NVVE) staan positief tegenover het voorstel. Volgens de KNMG komt het tegemoet “aan de wens om de rechtspositie van de arts te versterken”, aldus een persbericht. Niet langer zal de arts, als hij bij de gemeentelijke lijkschouwer meldt dat zijn patiënt aan een niet-natuurlijke oorzaak is overleden, bang hoeven zijn dat de volgende dag de politie bij hem op de stoep staat. Een woordvoerder van de NVVE zegt “zeer verheugd” te zijn over het voorstel.

De afgelopen veertien jaar heeft euthanasie een stormachtige politieke geschiedenis gekend. In 1984 vond het CDA het voorstel van Wessel-Tuinstra te ver gaan: De partij wilde niets van euthanasie weten. Voor PvdA en VVD ging het niet ver genoeg: Volgens deze partijen moest de euthanasie uit het strafrecht worden gehaald. Anderhalf jaar en vele discussies later diende minister Korthals Altes (Justitie) een wetsvoorstel in dat sprekend leek op dat van D'66. Euthanasie bleef strafbaar, maar de hulpverlener kon, mits hij voldeed aan een aantal in de wet opgenomen vereisten, vrijuit gaan met een beroep op 'overmacht, omdat hij naar zijn oordeel handelt in noodtoestand'.

Maar ook het werkstuk van Korthals Altes zou het staatsblad niet halen. De nieuwe partner van het CDA, de PvdA, nam bij de formatie van het derde kabinet-Lubbers in 1989 afstand van het wetsontwerp. Op verzoek van de Tweede Kamer kwam er wéér een commissie. Die moest onderzoeken hoe het er in de praktijk met de euthanasie voorstond. De nieuwe commissie constateerde twee jaar later dat artsen vrijwel steeds nauwkeurig handelden, maar ook dat relatief weinig artsen euthanasie meldden.

Buiten Den Haag was inmiddels in grote lijnen overeenstemming bereikt over de zorgvuldigheidseisen waaraan artsen zouden moeten voldoen bij euthanasie en hulp bij zelfdoding. Zo had de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) een procedure opgesteld die de instemming had van de artsen. Een van de voorwaarden daarin was dat de behandelende arts een onafhankelijke (collega-)deskundige raadpleegt. In de praktijk bleek dit ook een belangrijk criterium voor de rechter te zijn. Waar een arts werd veroordeeld, was dat omdat hij geen andere arts had geraadpleegd.

De kans vervolgd te worden bleef echter veel artsen ervan weerhouden bij de lijkschouwer euthansie aan te geven, al nam de bereidheid toe, zo constateerde een volgende commissie eind 1996. In 1995 waren er bijna 1.500 meldingen, drie keer zoveel als in 1990. Vergeleken met de jaren tachtig wordt er door het openbaar ministerie sinds 1990 aanmerkelijk minder ingegrepen, zo meldden de onderzoekers. Maar hoewel het aantal meldingen hierdoor stijgt, wordt naar schatting van de onderzoekers nog steeds zo'n zestig procent van gevallen van euthanasie en hulp bij zelfdoding niet gemeld.

Om dat percentage te verhogen hebben de minister Borst (Volksgezondheid) en Sorgdrager (Justitie) in een reactie op het rapport voorgesteld de regionale toetsingscommissies in te stellen. Volgens de plannen van beide D66-ministers zouden er vijf regionale commissies moeten komen (één in elk arrondisement van het openbaar ministerie) en één landelijke, wat 'zwaarder' samengestelde commissie. Deze is er voor het oordeel over levensbeëindiging bij wilsonbekwamen. Woensdag debatteert de Kamer over de toetsingscommissies.

De Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie (NVVE) hoopt dat met het initiatief van Van Boxtel de “onzalige” toetsingscommissies van de baan zijn. De NVVE vreest dat de instelling daarvan de meldingsbereidheid van artsen niet zal verhogen. “Als die commissies er komen blijft het vreselijk lang duren en dat is een van de redenen dat artsen niet melden.” De KNMG staat minder afwijzend tegenover de toetsingscommissies. “Er zitten wat praktische haken en ogen aan. “Als ze goed worden samengesteld kunnen we er mee leven.”

    • Quirien van Koolwijk