Zeg maar

Het moet alweer twee jaar geleden zijn; een van de laatste, lange columns van Remco Campert in de Volkskrant. Het ging over de uitdrukking zeg maar die toen wortel schoot. De mensen die er gevoelig voor zijn hadden gemerkt dat er een nieuw stopwoord, of een stopuitdrukking in omloop was gekomen: zeg maar. Die twee woorden kan je overal invoegen zonder dat de betekenis van de zin verandert, en als je ze had weggelaten had niemand er iets van gemerkt.

De mensen die er, zeg maar, gevoelig voor zijn, hadden gemerkt dat er, zeg maar, een nieuw stopwoord in circulatie was gekomen dat je, zeg maar, zonder enig bezwaar weg kon laten. Nu, twee jaar later, hoort het tot de meest verbreide stopwoorden aller tijden. Alles heeft een oorzaak, dus ook zeg maar.

We kunnen een stopwoord beschouwen als een taalkundig-dwangmatige handeling, een tic in de koppeling tussen hersenen en strottenhoofd. Maar het zou wel eigenaardig zijn als binnen een paar jaar een groot deel van het volk daardoor was besmet. Er zijn misschien aanstekelijke tics, zoals het stotteren bij de Engelsen, maar geen besmettelijke. Het moet dus iets anders zijn.

Een stopwoord heeft twee functies: je kunt ermee laten horen dat je tot een bepaalde groep hoort (het weet je wel in de jaren zestig waarmee je te kennen gaf dat je with it was) en je kunt er tijd mee winnen. Het zeg maar is nu zo algemeen, dat je eerder laat merken dat je tot een bepaalde groep hoort door het weg te laten. Blijft over de tijdwinst. Mensen willen tijd winnen omdat ze niet helemaal zeker van hun zaak zijn, in een situatie waarin ze de knoop toch moeten doorhakken en dan in een fractie van een seconde via het stopwoord hun aarzeling overwinnen. Zeg maar. En dan komt het hoge woord eruit.

Als we het zeg maar op deze manier bekijken, wordt het verklaarbaar. Dan past het in een veel groter complex dat ik beschrijf als de hang naar het extreme, gepaard aan de angst voor de gevolgen. Een ander voorbeeld, niet uit het arsenaal van de stopwoorden. Om de haverklap hoor je iemand zeggen dat dit of dat tamelijk erg was. Of vrij ingrijpend, of betrekkelijk aardig, of nogal verschrikkelijk. Waarom drukken die mensen zich zo uit? Mijn verklaring is dat ze deelnemen aan het algemene gevecht om de aandacht waarin iedereen op alle gebieden in beginsel tot het uiterste wil gaan, maar dan in zelfkritiek zich corrigeert en het gekozen uiterste afzwakt. Het was wel verschrikkelijk maar weer niet zo verschrikkelijk dat het die benaming in de naakte aanblik van het woord verdient. De spreker hangt er zijn vijgenblad voor: nogal. Wat was er in werkelijkheid gebeurd? Iets dat vervelend kan worden genoemd, of desnoods erg vervelend. Trein gemist, bijvoorbeeld. Tussen erg vervelend en nogal verschrikkelijk is een verschil, zoals je beseft als je voor de keuze wordt gesteld. Wat wil je liever beleven: iets erg vervelends of iets nogal verschrikkelijks?

We raken op een dwaalspoor. Het zeg maar heeft een veel ruimere toepassing. Het kan worden gebruikt als middel tot uitbreiding van de context die ik hierboven heb aangegeven. Dan krijg je combinaties als zeg maar betrekkelijk ingrijpend. Dat klinkt al niet ongewoon, daar denken we niet meer over na. Maar als we er wel over nadenken, komen we tot de slotsom dat het van oorsprong een voorstel is. Zeg maar is een verkorte vorm van laten we zeggen, het say en disons. Deze waarheid is zo groot als zeg maar een koe. De spreker oppert iets, is dus niet zeker van zijn zaak, laat de aangesprokene ruimte om een tegenvoorstel te doen. Daarover kan dan worden onderhandeld. Ten slotte bereiken deze twee overeenstemming: deze waarheid is zo groot als - en dan volgt de naam van een ander dier.

We weten wel dat de praktijk van het dagelijks gesprek niet zo'n weloverwogen onderbouw heeft. Maar het gaat hier niet om de routine van de dagelijksheid, het gaat om de oorsprong. De spreker is niet zeker van zijn zaak, dekt zich bij voorbaat in door zijn punt van uitgang, zijn gambiet, te vervagen door het tot voorwerp van onderhandeling te maken. Hij is als een schaker die zijn tegenstander voorstelt dat hij déze pion zal offeren, en dan in overleg treedt. Als de tegenpartij dat per se wil, kan hij ook wel een ander offer brengen. Het resultaat is dat de ontmoeting van alle scherpte wordt ontdaan. De partijen komen tot elkaar in een mistig midden.

Zeg maar is niet de enige methode om dit doel te bereiken. Een paar jaar heeft het woord toch met een half vraagteken aan het eind van de zin een soortgelijke functie gehad. Toch? Ook dat was een impliciet ter discussie stellen van het zojuist gezegde, een teken van onzekerheid, een verkapt voorstel tot onderhandelen. Beide gevallen, zeg maar en toch? zijn voorbeelden van een modern Nederlands dat ik het praktisch consensus-Nederlands noem.

    • S. Montag