Watersport in de lift; Plannen voor schepenlift annex hevel in Veerse Meer

Eerst tien meter omhoog, dan driehonderd meter over de Zandkreekdam en daarna weer tien meter omlaag. De geplande schepenlift tussen het Veerse Meer en de Oosterschelde is een wereldprimeur.

PROVINCIE EN Rijkswaterstaat Zeeland hebben plannen om ten noorden van Goes over de Zandkreekdam tussen het Veerse Meer en de Oosterschelde de eerste schepenlift van ons land te bouwen voor veertig jachten of meer per uur in beide richtingen. Bijzonder is dat de holle balken van de lift kunnen dienen als hevel om het water in het meer te verversen.

Schepenliften worden in Europese middelgebergten toegepast om hoogteverschillen te overwinnen, zoals in het bekende, door de mijnsluitingen in onbruik geraakte 'Hellende vlak van Ronquières' in het kanaal Brussel-Charleroi, gebouwd in 1968. Een schip dat moet afdalen, vaart een dok binnen. Eenvoudig gezegd: het afgesloten dok wordt naar beneden gelaten met behulp van tegengewichten, de deuren gaan open en het schip vaart verder.

De geplande schepenlift over de Zandkreekdam heeft geen tegengewichten. Hij gaat eerst omhoog èn daarna weer omlaag. En dat is een wereldprimeur. Het is een gepatenteerde uitvinding van de in het ontwerpen van bruggen gespecialiseerde ingenieur N.D. van Driel, directeur van Van Driel Mechatronica in Waddinxveen.

De reden dat Zeeland belangstelling heeft voor de lift, zijn de files op de Zandkreekdam tijdens het schutten van beroeps- en pleziervaart in de sluis tussen het Veerse Meer en Oosterschelde. Na de opening van de Westerscheldetunnel in 2002 zullen die files waarschijnlijk toenemen. Wanneer land- en waterverkeer elkaar hier voortaan ongelijkvloers zouden kruisen kan men duur oponthoud vermijden. Een oplossing in de vorm van een schepenlift kost volgens Van Driel circa veertig miljoen gulden en dat is minder dan de helft van wat een aquaduct onder de sluis zou kosten.

Een zeiljacht, dat door zijn masten niet onder de brug door kan, vaart een van beide dokken van 33 bij 4 bij 3 meter binnen. Dit dok hangt horizontaal in een balans die, voorzien van vier stugge hydraulische cilinders, door tandwielen of kabels over de holle stalen balken rijdt. Wanneer het dok handmatig of automatisch is gesloten, gaat het eerst tien meter omhoog met een snelheid van 1 à 2 km/u. Hierbij wordt geen gebruik gemaakt van tegengewichten, zoals bij vele andere schepenliften het geval is, maar de zwaartekracht wordt overwonnen met elektromotoren van 1000 kW per dok. Daarna volgen driehonder meter dijk waar het dok met een snelheid van 8 à 10 km/u overheen gaat. Daarna begint de afdaling die net zo snel gaat als de stijging.

Van Driel moest nog een belangrijk vraagstuk oplossen tijdens zijn ontwerp: de aangemeerde jachten in de dokken krijgen te maken met 'staande golven' die ontstaan doordat het dok met verschillende snelheden over de dam beweegt. De plotselinge versnellingen en vertragingen veroorzaken golfslag. Die golven zijn niet alleen ongerieflijk voor de bemanning, maar ze kunnen er ook toe leiden dat een jacht tegen de dokrand gaat schuren en schade oploopt. Een golfcyclus, zo berekende Van Driel, duurt vijftien seconden. De golfslag is te voorkomen door voorzichtig te versnellen en te vertragen, zoals een autorijder doet bij het vervoeren van een gevuld aquarium.

Een tweede schommeling is de slingering met een slingertijd van 0,3 seconden door het water met het dok samen. De slingertijden van de golven en van het water met dok moeten sterk verschillen, want als ze bij elkaar in de buurt komen wordt het dok door opslingering instabiel.

KUSSENS

Een verdere ontwikkeling is nog een andere lift naast de bestaande, speciaal voor lege vrachtschepen van en naar de havens aan het Veerse Meer. Die kan men overzetten met een lift die slechts een draagvloer heeft met luchtkussens die zich onder het schip vullen. Alleen geladen en daarom diep liggende schepen moeten dan nog door de sluis, waarbij de brug gesloten kan blijven.

Het allerslimste van Van Driels lift is het gebruik van de holle stalen liggers als hevels om bij vloed vers zout water in het Veerse Meer te laten stromen. Volgens uitvinder Van Driel vormt zijn schepenlift daarmee een aantrekkelijke uitbreiding van te kleine bestaande sluizen. Andere mogelijke toepassingen zijn in Nederland bijvoorbeeld de sluis in de Grevelingendam, de sluis bij Enkhuizen in de dijk naar Lelystad en als achterlandverbinding tussen een mogelijke zeejachthaven in Katwijk en de Randstad.