Veel top, geen geld

Veel wetenschappers hebben afgelopen twintig jaar harder moeten rennen voor relatief minder onderzoeksgeld. Van 1987 tot 1997 is onderzoek als aandeel van het bruto binnenlands product gezakt van 2,28 naar 1,67 procent, vergeleken met andere rijke landen een laag aandeel.

Sinds begin jaren tachtig heeft het ministerie van onderwijs vele beoordelingssystemen voor onderzoek in het leven geroepen. Breidden in de jaren zestig en zeventig de universiteiten ongeremd uit, in de jaren tachtig moest de selectie strenger. Alleen 'toponderzoekers' zouden in aanmerking moeten komen voor subsidies. Eerst kwam 'voorwaardelijke financiering', al gauw volgden 'Taakverdeling en Concentratie', 'Selectieve Krimp en Groei', de vorming van onderzoeksinstituten, later 110 onderzoeksscholen en nu de zes toponderzoeksscholen die daaruit deze week zijn uitverkoren. Onderzoekers groepen samen om voor subsidie in aanmerking te komen. De overheid bepaalt de 'maatschappelijke relevantie'.

Faculteiten en onderzoeksscholen krijgen gemiddeld een keer per jaar een visitatie, de ene keer door de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, de volgende door de Vereniging van samenwerkende universiteiten (één keer voor onderzoek en nog een extra keer voor onderwijs) en vervolgens nog eens door de evaluatieteams van de universiteit zelf. Behalve het papier- en vergaderwerk voor deze evaluaties zijn er dan nog eens de wervingspogingen voor onderzoeksgeld van bedrijven en fondsen (derde geldstroom) en subsidie-aanvragen aan de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO, tweede geldstroom).

De NWO heeft met haar budget van 640 miljoen en haar eigen onderzoeksinstituten een bescheiden rol in de subsidietoewijzing. De universiteiten hebben jaarlijks 2,5 miljard ter beschikking. De meeste aanvragen moet de NWO afwijzen. NWO-commissies kennen drie classificaties. C is onvoldoende. B betekent terugkomen met een verbeterd voorstel. A is excellent. Er worden veel meer A's toegekend dan er geld beschikbaar is. De A-projecten van technische onderzoekers, die ook over geld van het bedrijfsleven kunnen beschikken, hebben de hoogste scoringskans, tegen de 40 procent. De rest zweeft tussen de 15 en 20 procent.

Minister Ritzen van onderwijs wil de begroting van de NWO verhogen zonder extra overheidsgeld. Hij heeft voorgesteld het extra geld voor de NWO te halen uit de onderzoeksfondsen van de universiteiten zelf. De universiteiten moeten aan het NWO een sigaar uit eigen doos uitreiken van 500 miljoen gulden, een vijfde van het totale universitaire onderzoeksbudget. Bovendien moet “het NWO de toedeling en verdeling van onderzoeksgelden koppelen aan de door het kabinet gestelde prioriteiten”, grotere overheidsbemoeienis dus.

Ritzens voorstel is gestuit op kritiek van de universiteiten zelf, van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen en van onderzoeksscholen. Zelfs de NWO plaatst kanttekeningen bij deze drastische stap. De gezamenlijke universiteiten willen alleen overhevelen als de minister er zelf ook geld bij legt, gulden voor gulden. NWO-subsidie kent nu eenmaal een enorme overhead die de universiteit zelf moet betalen. De directe uitvoering van de overheveling zou massa-ontslag betekenen bij de universiteit. Volgens de KNAW moet de NWO haar structuur veranderen. Het NWO-bestuur ziet zelf ook wel dat de academische wereld bij overheveling zonder budgetverhoging dwars gaat liggen. Een overgangsregeling voor het bedreigde universitaire personeel is nodig. Bovendien moeten NWO-subsidies ook alle kosten van onderzoek dragen, dus ook de overhead. En de overheid zou haar afstand tot het onderzoek moeten behouden, want anders zou er “een Big-Brotherachtige situatie ontstaan”, aldus een NWO-stuk.