Spartak en Dynamo trekken de lijn van Sovjet-verleden door; Voetballen tegen de KGB

Voetbal in Rusland is overzichtelijk. Je bent voor Spartak of voor Dynamo. Spartak-fans hebben het communisme altijd al verfoeid, Dynamo-aanhangers verlangen heimelijk terug naar het Sovjet-verleden. Ajax speelt komende dinsdag in Moskou tegen Spartak, de club waarmee Rusland terugkeerde bij het internationaal voetbal.

Dima (27) beweegt hoekig als een rapper. Geagiteerd. Bij alles wat hij zegt of doet - het zetten van een kraakje, het juichen om een doelpunt - schieten zijn handen als messen door de lucht. “Natuurlijk ben ik voor Spartak. Spartak is de club van het volk. Spartak, dat ben ik.”

Als hij niet in de Boetirka zit, de smerigste gevangenis van Moskou, woont Dima bij zijn stiefvader in de Komoenalka: de typische Sovjet-woongroep die elke vorm van privacy uitsluit. Zo'n commune-tegen-wil-en-dank bestaat uit een voordeur, met daarachter een gemeenschappelijke rommelgang, zeg maar een binnenstraat, waarop vertrekken van bordkarton uitkomen.

Een van Dima's Komoenalka-buren is Sasja. Sasja Dynamo. “Ik ben geboren in de Dynamostraat, tegenover het Dynamostadion. Is het een wonder dat ik voor Dynamo ben?” Maar dat is slechts de helft van het verhaal. Sasja (33) is een ander mens dan Dima, oppassender, rustiger, in zichzelf gekeerd. Hij heeft een vrouw, twee kinderen en een baan. Maar ook dat is niet het hele verhaal. Sasja is onderhoudsmonteur van het wagenpark van de Russische geheime dienst.

Het was IJzeren Felix, de grondlegger van die geheime dienst, die kort na de revolutie Dynamo oprichtte. In 1991 was zijn standbeeld aan het Moskouse Loebijanka-plein, tegenover de martelkamers van de NKVD (de latere KGB), onder luid gejoel onttakeld en omver gehaald. Net als de hele Sovjet-Unie. Maar Dynamo als sportclub bleef overeind, steunend op een afbrokkelende, maar nog niet ingestorte zuil in de Russische maatschappij - die van de Sasja's en Sovjet-nostalgici. Niet toevallig komen de veteranen van de ontbonden KGB nog regelmatig bijeen in de catacomben onder het Dynamostadion, waar een van hen een café drijft.

Meteen met het wegvallen van de Muur waren de voetbalverenigingen van het Oostblok leeggelopen. Er kwam een exodus van goede spelers op gang, die de clubs gedecimeerd, maar niet onbemiddeld (aan zulke enorme transferkosten waren ze niet gewend) achterlieten. Afpersers, criminelen en andere louche types namen zitting in de besturen. Een van die nieuwe bonzen was Larisa Nesjajeva, een partijlid van de neofascist Zjirinovski die over de Spartak-kas ging. Haar telefoon was op rare tijden gaan rinkelen, anonieme stemmen dreigden haar te doden, en in juni vorig jaar werd ze op haar datsja overvallen en vermoord.

En terwijl de Russische sportbonzen elkaar naar het leven staan (het geval Larisa Nesjajeva staat niet op zichzelf) gaat de knetterende rivaliteit tussen Dynamo en Spartak onverminderd door. Spartak-Dynamo, dat is een eeuwig durende vendetta met wortels in het communistische systeem. De vete ontstond toen vier voetballende broers, de gebroeders Starostin, in de jaren dertig aan de almacht van Dynamo gingen wrikken door een eigen sportvereniging op te richten: Spartak Moskou. Nikolaj, de rechtsvoor, haalde de vleesdivisie van de Voedingsbond over om de club te sponsoren. En dus heten Spartak-fans in de volksmond 'slagers'.

Prompt werd Spartak in 1936 Sovjet-kampioen, tot ergernis van de NKVD. Maar wat echt kwaad bloed zette, was de daaropvolgende uitnodiging aan Spartak om het voetbalspel te komen demonstreren aan Stalin zelf, op het Rode Plein. Parallel aan de gebruikelijke gymnastiekparade op de jaarlijkse Dag van de Lichamelijke Cultuur, mocht Spartak een voetbaltoneelstukje opvoeren onder het oog van de Sovjet-leiders. “Er brak een heus tapijtentijdperk aan”, schreef Nikolaj Starostin in 1989 in zijn memoires Voetbal door de jaren heen. Nachten aaneen naaiden de voetballers een groen vilttapijt van negenduizend vierkante meter, dat compleet met strafschopgebied en middelcirkel over het Rode Plein werd uitgerold. Als ooit de krijgers in Troje uit hun houten paard, zo kropen de spelers van Spartak I en II uit een tot voetbalschoen omgebouwde praalwagen. Pal onder de neus van Stalin lieten zij ingestudeerde kopstoten, een-tweetjes en spectaculaire duikvluchten van de keeper zien. Zodra de Grootste Vriend Aller Sporters zich zou gaan vervelen, zou er iemand met een witte zakdoek zwaaien ten teken dat Spartak kon opdoeken. Maar de partijleider keek zo geamuseerd dat het spektakel met dertien minuten werd verlengd.

Duivelspact

Nadat Dynamo in 1938 opnieuw achter Spartak was geëindigd, riep de nieuwe NKVD-chef, Lavrenti Beria, de trainer van Dynamo bij zich. “Ik heb maar een vraag”, zei hij. “Wat is er mis?”

“Spartak betaalt zijn spelers hogere salarissen.”

“Werkelijk? Krijgen Veren en Dons beter betaald dan de dienaren van de geheime dienst? Dat moet gauw worden rechtgezet! En verder?”

“We hebben wat problemen met de verdediging, maar we hopen...”

Beria liet hem niet uitpraten: “Zou een vuurpeloton misschien een goede verdediging vormen? Dat kunnen we in een handomdraai regelen.” Stalins opperbeul, die tegelijk ook ere-voorzitter van Dynamo was, vatte het plan op om de Starostin-broers te arresteren, maar dat stuitte op verzet van minister van Buitenlandse Zaken Molotov, wiens dochtertje hartsvriendin was van het dochtertje van Nikolaj Starostin. Molotov tekende wel het duivelspact met zijn Duitse collega Von Ribbentrop, maar niet de arrestatiebevelen waar kameraad Beria op aandrong. Spartak werd ook in 1939 kampioen.

Dima was 14 toen hij in 1985 met een groep vrienden in het Lenin-stadion zijn eerste Spartak-Dynamo bijwoonde. Spartak won. “Ik had een rood-witte sjaal en een vlag. Ik wist niet wat ik meemaakte. Die sfeer! Het stadion was in die tijd de enige plek waar je kon schreeuwen. Een raam waardoor frisse lucht naar binnen kwam. Op school kregen we nog lessen marxisme-leninisme, maar de politiek interesseerde me geen moer. Niets interesseerde me, behalve Spartak. Ik sloot me aan bij de harde kern van Spartakisten. We zetten ons af tegen het communisme, waar alleen gekken nog in geloofden. Spartak, dat was protest. Als wij van Dynamo wonnen, dan hadden we het gezag verslagen, de KGB. Zo zie ik dat nog steeds.”

“Onzin”, zegt Sasja. “Als Dynamo verliest, verliest alleen Dynamo. Punt uit.”

Na de Tweede Wereldoorlog was Dynamo de onbedreigde nummer 1. “De Russen hebben in de oorlog ook hard gevochten, maar hun voetbal heeft er niet bepaald onder geleden”, schreef The Times in november 1945, toen Dynamo op tournee in Engeland een sensatie teweegbracht. Gekleed in nachtblauwe jassen, witte broeken en vloekend gele schoenen leek het team afkomstig van een andere planeet. In kratjes en kistjes hadden ze hun eigen voedsel meegebracht, dat ze lieten klaarmaken op de Sovjet-ambassade. “Het enige wat we wisten van onze tegenstanders was dat zij het voetbal hadden uitgevonden, dat we hen zouden treffen op hun bodem, maar dat wij hoe dan ook moesten winnen”, zo herinnerde Konstantin Beskov zich, de topscoorder van Dynamo. Cardiff-City ging met 10-1 ten onder, en het machtige Chelsea kon de stand met moeite op 3-3 houden. De halve Sovjet-Unie zat aan de radio gekluisterd, fabrieken lagen stil, en na afloop belde de FIFA-directeur uit Parijs om de Sovjet-Unie het lidmaatschap van de wereldwijde voetbalfederatie aan te bieden. Hoe had Dynamo dit geflikt? Om te beginnen had ere-voorzitter Beria de vier Starostin-broers in 1942 alsnog laten oppakken. Aanvoerder Nikolaj werd twee jaar lang in de kerkers van de Loebijankaburcht ondervraagd, voordat hij net als zijn broers tien jaar Goelag tegen zich hoorde vonnissen.

Eerst werden ze ervan beschuldigd een moordaanslag op Stalin te hebben beraamd (in 1937 vanuit de rijdende voetbalschoen!), maar dat was zelfs voor de NKVD te absurd. In het proces-verbaal kwam te staan dat de broers 'de bourgeois sport in het openbaar loofden, en trachtten de kapitalistische tendenzen naar Rusland te halen'. Een vergrijp waar net niet de doodstraf op stond. Dreigde Spartak ondanks de afwezigheid van de Starostin-broers alsnog een succesje te boeken, zoals eind jaren veertig tegen Dynamo Tbilisi, dan greep Beria persoonlijk in. Spartak had met 1-0 gewonnen, maar hij beval de redactie van Sovjetski Sport: “Vermeld 1-1 als uitslag.” Een andere rivaal van Dynamo, de club TsDKA van het Rode Leger, werd ook met weinig sportieve middelen uitgeschakeld. Dat ging als volgt. In 1950 roemde Sovjetski Sport de 'Sovjet-school' van voetbal als 'de leidende in de wereld'. Het Sovjet-voetbal had ieder greintje individualisme uitgebannen en was daarom onoverwinnelijk. “Wat is het geheim van onze stijl? Collectivisme, de afwezigheid van egocentrisme.” Maar op de OlympischeSpelen in Helsinki in 1952 werd het Sovjet-elftal al in de tweede ronde met 3-1 verslagen door Joegoslavië. Tito's Joegoslavië! Het was alsof die verrader, die eind jaren veertig met Moskou had gebroken, publiekelijk de draak stak met Stalin. Zo vernederend was de nederlaag dat de Sovjet-pers de wedstrijd doodzweeg, als had hij nooit plaatsgehad.

Bij terugkeer moesten er koppen rollen, zoveel was duidelijk. Op 15 januari 1953 op de Wetenschappelijk-Methodologische Conferentie over Voetbal moest de legerploeg TsDKA, die de bondscoach had geleverd, het ontgelden. Deze Boris Arkadijev werd uitgemaakt voor 'apolitieke intellectueel' die steevast 'bourgeois termen' bezigt zoals 'gafbek' (halfback) en ofseid (off side) in plaats van de politiek correcte, gerussificeerde begrippen (zoals nozjnoi miatsj voor foetbol). De Partij schreef sportsuccessen in die dagen toe aan het verplichte museumbezoek, dat louterend zou werken, en het collectief bestuderen van de Beknopte Geschiedenis van het Bolsjewisme. De TsDKA-coach nu had gefaald omdat hij zich niet had verdiept in 'het recente meesterwerk van Stalin', Economische Problemen van het Socialisme in de USSR. Om de schuldigen te straffen werd TsDKA ontbonden, zodat het KGB-team van Beria het rijk alleen had.

Rode Leger

Sasja zegt dat hij gewoon houdt van het spel van Dynamo. “Neem de Dynamo-counter. Die is berucht. Een moment is genoeg om toe te slaan...” “De counter”, zegt Dima giftig. “Laf spel is dat. Het zit gewoon bij jullie ingebakken, die verklikkersmentaliteit.” Bijna schiet zijn flesje bier uit zijn handen, bijna ligt de gemeenschappelijke spiegel in de Komoenalkagang aan diggelen. Om de vendetta niet in huis te halen (Dima had al eens de klok kapotgeslagen), hebben de twee buren afgesproken dat ze nooit samen tv-kijken als een van hun favoriete clubs speelt. Dan kijken ze ieder in hun eigen kamer en schreeuwen verwensingen door het bordkarton. In de rust en na afloop drinken ze een biertje op de gang. Maar die ene keer had Dima zijn vriend uitgemaakt voor 'Moesor' (vrij vertaald: 'stuk stront') de scheldnaam voor een (geheim) agent. Sasja op zijn beurt had hem uitgemaakt voor 'slager', en toen was de klok gesneuveld.

Na Stalins dood in maart 1953 deed Beria een greep naar de macht. Zijn opzet mislukte, en hij werd terechtgesteld 'als een lakei van het imperialisme'. De Starostin-broers kwamen vrij, en Nikolaj werd weer coach van Spartak. Zijn kampervaring was nogal ongewoon. Waar hij ook heen gedeporteerd werd, hij kreeg een VIP-behandeling. Nikolaj Starostin was het idool van een generatie. Al op zijn eerste bestemming in de Oeral riep de NKVD-opzichter hem bij zich met het verzoek het lokale Dynamoteam te trainen. Maar generaal Gogalidze uit Chabarovsk, die hoger in rang was, eiste de stergevangene op en liet hem in een veewagen dwars door Siberië transporteren om hem aan het hoofd van zijn eigen Dynamoploeg te plaatsen. “Hun macht over mensen was niets vergeleken met de macht die het voetbal over hen had”, schreef Nikolaj in zijn memoires. In 1950 was er telefoon voor hem uit Moskou. “Nikolaj, waarom houden ze u nog steeds vast?” Het was Vasili Stalin, de zoon van de dictator die op zijn achttiende bevelhebber van de luchtstrijdkrachten was geworden. Stalin junior was een eigen luchtmachtvoetbalploeg aan het samenstellen, VVS, en zocht een goede coach. “Ik stuur morgen een vliegtuig voor u. Ik wacht u op in Moskou.” Beria, die Vasili's bloed wel kon drinken, gaf opdracht om Nikolaj overal in Moskou te schaduwen. Omdat Vasili wist dat zijn gast gevaar liep nam hij hem in huis. Maar toen hij op een nacht uit het raam klom om zijn familie te bezoeken, werd hij door KGB'ers in de kraag gevat en verbannen naar Kazachstan, waar hij nog jaren het lokale elftal van Dynamo trainde. Pas in maart 1955 werd hij door Chroesjtsjov gerehabiliteerd. In dat jaar keerde ook de legerclub TsDKA terug - onder de naam TsSKA - zodat de competitie weer spannend werd.

Niet dat de bemoeienis van hogerhand nu tot het verleden behoorde. Het Rode Leger begon de beste spelers te rekruteren, eenvoudig door ze op te laten komen voor hun nummer. Wilden ze tijdens hun diensttijd blijven voetballen? Dat kon, maar dan wel voor TsSKA. Chroesjtsjov zag de sport als voortzetting van de diplomatie met andere middelen. Een wapen in de strijd tussen de systemen, die hij met zijn doctrine van 'vreedzame coëxistentie' had ontketend. De medaillemachine van de USSR moest op de Olympische Spelen de superioriteit van het communisme aantonen. De aandacht verschoof van de ruige voetballers naar iele turnsters en kunstrijdsters. Partijleider Leonid Brezjnev hield niet van voetbal; hij was een ijshockeyman. Maar er was een ander lid van het politburo, dat zich in de jaren zeventig actief met het Sovjet-voetbal zou gaan bemoeien: Konstantin Tsjernenko.

In zijn memoires Apparaat onthult Tsjernenko's privé-secretaris wie de 'geheime liefde' van zijn chef was: Spartak. De op een na machtigste man van de Sovjet-Unie was van de dezelfde generatie als de Starostin-broers, de helden uit zijn jeugd. En hoewel ze uit de officiële geschiedschrijving waren verdwenen, nodigde hij de inmiddels bejaarde Starostin-broers vaak bij hem thuis uit. In 1976 bedachten ze een plan Spartak uit het slop te halen, en wel door de legendarische Beskov, de ster van de Dynamo-tournee in Engeland in 1945 als trainer aan te trekken. Maar Beskov, inmiddels luitenant-kolonel van de Binnenlandse Veiligheidstroepen, was de coach van Dynamo. Tsjernenko bood hem een dubbel salaris en een dubbel pensioen en stelde hem onder contract bij Spartak.

Als partij-ideoloog hekelde hij het kapitalistische voetbal in het openbaar als 'verdorven en baatzuchtig', maar tegelijk voerde Tsjernenko een stelsel van premies in: 500 roebel per speler van de landskampioen, 300 voor de nummer twee en 200 voor de nummer drie. In 1979 heroverde Spartak voor het eerst sinds de oorlog weer de Sovjet-titel. Als dank kreeg Tsjernenko een goudgerande vaas met Spartakembleem.

Sasja en Dima zijn het over een ding eens: Alles in het Russische voetbal draait tegenwoordig om geld. “Scheidsrechters zijn gewoon te koop”, zegt Dima. “En keepers”, vult Sasja aan, verwijzend naar het schandaal uit 1996 toen Spartak de doelman van Zenit uit St. Petersburg en daarmee het kampioenschap zou hebben gekocht. “Zo zijn de tijden nu eenmaal.” Sasja was zijn vaste baan bij het ministerie van Binnenlandse Zaken kwijtgeraakt - dat hoorde ook bij de nieuwe tijd. Hij klust nog wat voor zijn oude klanten, maar zijn inkomsten zijn gehalveerd. Zijn vrouw Svetlana had gezien hoe Dima aan geld kwam, en toen ze een keer door de stad reed en op de stoep een partij dozen bij een winkel zag staan, had ze die vlug ingeladen. “Dit is heling”, zei Sasja toen hij de buit in het berghok ontdekte. Maar zijn vrouw had gezegd: “Stel je niet aan, niemand zal er ooit achter komen.” Er zaten computeronderdelen in waar Dima wel een afnemer voor wist.

In dezelfde maand dat Sasja medeplichtig werd aan diefstal, juni 1997, had Larisa Nesjajeva, de 44-jarige penningmeester van Spartak, een afspraak met een collega-bestuurder op haar datsja buiten de stad. Ze trokken zich terug om een strategie te bespreken, nu Spartak een contract ter waarde van 9 miljoen dollar over de uitzendrechten van thuiswedstrijden had opgezegd. Larisa had besloten met de zender ORT in zee te gaan. Het was haar laatste besluit want het volgende moment stonden er gewapende mannen met bivakmutsen op in haar kamer.

Bomexplosie

De moord is nooit opgehelderd. Ook de daders die in 1996 een TsSKA-official vlakbij het clubkantoor hadden doodgeschoten, zijn nooit opgespoord. Evenmin is bekend wie er achter de aanslag op Aleksandr Bragin zat, de voorzitter van de Oekraïense voetbalclub Mijnwerker-Donetsk, die samen met vijf anderen bij een bomexplosie net buiten het stadion omkwam. De laatste tijd is het handjevol machtigste Russische financiers zich met het voetbal gaan bemoeien. De Oneximbank, met tentakels in alle geledingen van de maatschappij, heeft zich ontfermd over TsSKA, dat in naam nog steeds de club van het leger is. De puissant rijke Boris Berezovski, die met zijn conglomeraat Logovaz de Oneximbank op leven en dood beconcurreert, heeft in januari van dit jaar de tv-rechten van de Spartakwedstrijden gekocht, natuurlijk voor zijn eigen zender, de ORT. En de Moskouse burgemeester Yoeri Loezjkov, een echte voetbalfanaat, heeft beloofd om Torpedo, de club van deZIL-autofabrieken in Moskou, nieuw leven in te blazen. Als een peetvader van de gehele Moskouse zakenwereld, met ambities om ooit nog president van Rusland zou worden, zet Loezjkov ook een paar kaarten op Spartak: hij heeft de vijfvoudig kampioen van Rusland een futuristisch en peperduur stadion aangeboden, dat in het verkiezingsjaar 2000 in gebruik moet worden genomen.

Dynamo kan nergens onderdak vinden: die naam is nog zo besmet dat geen enkele serieuze sponsor zich ermee wil verbinden. En wat doet Gazprom, het grootste bedrijf (in gas en olie) ter wereld, de kurk waar Rusland op drijft? Geheel in lijn met hun corporate strategy hadden de Gazprom-directeuren het Russische nationale elftal geadopteerd. Net als 'hun premier' Viktor Tsjernomyrdin, die jarenlang topman van Gazprom was, wil het bedrijf zich opwerpen als redder van de natie. Maar toen het Russische nationale team zich de afgelopen herfst voor het eerst in twintig jaar niet wist te kwalificeren voor het WK-kampioenschap, sloeg de stemming om. Verdere steun is afhankelijk gemaakt van de prestaties. Als de spelers er niet in slagen zich te plaatsen voor het EK in 2000, dan krijgen ze geen kopeke.

Volgens Dima is de toestand in het Russische voetbal zo beroerd, dat Spartak de enige club is waar het land nog trots op kan zijn. “Tegen Ajax verdedigen zij de eer van de hele natie”, zegt hij. “Onzin”, mompelt Sasja. “Spartak verdedigt slechts zichzelf.'