Niks desinteresse en verveling; Samen verantwoordelijkheid dragen kan wonderen doen op VBO en Mavo

Werken in groepsverband met een strakke taakverdeling: mèt een enthousiaste leraar kunnen zo 'verveelde jongeren' veranderen in aandachtige leerlingen.

'HOU JIJ NOU eens even je mond!'. Door een van de gangen van het Minkema College in Woerden buldert de stem van een leraar - tot ver buiten de grenzen van zijn klaslokaal. Ook op deze moeizame manier wordt nog altijd gestreden om de aandacht van de leerling. Maar het Minkema College wil er van af: de leerling moet beter gemotiveerd worden. En niet alleen op het Havo en VWO, ook op Mavo en VBO. In 2002 moeten alle onderwijskundige medewerkers in Woerden de beginselen van 'cooperative learning' onder de knie hebben. En dan wordt van de leerlingen juist verwacht dat ze hun mond opendoen in de klas. Samenwerking leidt tot meer aandacht, is de gedachte.

“Cooperative learning is het mooiste wat me in zeventien jaar onderwijs is overkomen”, verwoordt docent Engels Wilma Papen haar ervaringen met deze didactische werkvorm. Zij volgde dit schooljaar een training over deze methode en geeft haar lessen op het Mavo van het Minkema College zoveel mogelijk op de nieuwe manier vorm. Het succes van 'cooperative learning' drijft op de zelfwerkzaamheid van de leerling in groepsverband, gecombineerd met een strikte taakverdeling binnen elke groep en een sterke aansturing door de docent.

Het krachtig levende beeld van leerlingen op het Mavo en VBO is: onderuitgezakte leerlingen die met een verveeld gezicht in de bank hangen, terwijl de leraar zich bij het bord uitslooft. De hedonistische jongeren van nu, die studie te inspannend vinden, zijn immers moeilijk bereikbaar voor docenten, aldus ook bureau Inter/View in zijn tweejaarlijks onderzoek 'Jongeren op afstand' van september 1997. Maar Wim Meeus, hoogleraar jeugd en adolescentie aan de Universiteit van Utrecht bestrijdt deze negatieve visie. Nederlandse jongeren zijn niet lui en dom, maar juist enthousiast en hardwerkend: “Bijna iedereen heeft een bijbaantje.” Volgens Meeus zijn jongeren 'dualistisch' in hun houding op school: “Voor jongeren van nu is school heel normaal. Ze moeten er naar toe om dat diploma te halen waarvan ze weten dat het belangrijk is. Jongeren gaan daarom enerzijds calculerend om met hun tijd: de minste inspanning om dat diploma te halen. Van alle kanten wordt aan ze getrokken: de sportclub, de bijbaan, de televisie, vrienden. Anderzijds verlangen ze ook de individuele aandacht van de docent zoals ze die thuis van hun ouders krijgen.” Die twee uitersten zijn volgens Meeus goed te gebruiken voor 'de gouden regel' van het opvoeden: iemand ergens enthousiast voor maken.

Dat is ook het uitgangspunt van cooperative learning, zoals de Utrechtse vakdidacticus Annelien Haitink dat in Nederland bevordert. “Het is een methode die gebaseerd is op ervaringen uit de VS en Israel”, vertelt Haitink in haar werkkamer op het IVLOS - het Interfacultair Instituut voor Lerarenopleiding, Onderwijsontwikkeling en Studievaardigheden van de Universiteit van Utrecht. “In de multi-culturele samenlevingen van de VS en Israel bestaan zeer heterogene klassen, die moeilijk hanteerbaar zijn. Hoe los je dat op? Hoe betrek je in een klas met verschillende culturen, achtergronden en niveaus alle leerlingen bij de les en hoe motiveer je ze om mee te doen? De Amerikaanse onderwijskundige Spencer Kagan heeft in de jaren zeventig daarvoor de methode van cooperative learning ontwikkeld, wat wij teamleren of activerende didactiek noemen.”

Het uitgangspunt is eenvoudig. Door leerlingen in de les in groepen van vier gezamenlijk een opdracht te laten uitvoeren of een probleem op te laten lossen, met de docent op de achtergrond als begeleider, gaan zij actief met de stof om en maken zij zich, naast cognitieve kennis, ook sociale vaardigheden als je mening geven, presenteren en leidinggeven eigen. Essentieel is een strikte aansturing door de docent, om te voorkomen dat het 'rommelen in een groepje' wordt. Iedere leerling heeft binnen de groep een eigen taak en ieder team maakt een eigen product. Dat product kan van alles zijn: een poster, een interview, een opdracht voor medeleerlingen. Haitink: “Zo krijg je aandacht voor wat je als leerling maakt, en staat niet alleen dat cijfer centraal.”

Wat activerende didactiek in de praktijk kan inhouden blijkt uit de 'promotievideo' die Haitink onlangs maakte van een les Engels van Wilma Papen in klas 4 Mavo. Daarop is te zien hoe de leerlingen zich in groepjes van vier buigen over een gedicht van de joodse schrijfster Karen Gershon met als opdracht: verzin een titel (zie kader). Binnen elke (willekeurig samengestelde) groep verdelen de leerlingen zelf de taken (speaker, searcher, time-keeper en writer). Het enthousiasme waarmee de leerlingen zich overgeven aan het gedicht, zich - in het Engels - afvragen wat de betekenis ervan is en vooral hoe het met racisme in hun eigen belevingswereld staat, is prachtig. Niks desinteresse en verveeldheid: de leerlingen zitten op het puntje van hun stoel, vallen elkaar in de rede en vullen elkaar aan. “Als je zo'n les hebt gedraaid, heb je het gevoel dat je op wolkjes door de school loopt.”

Ook de VBO-afdeling van het Minkema College doet aan didactische vernieuwing. De trots van de administratieve richting is het simulatie-kantoor: een grote ruimte vol bureaus, computers en een heuse balie. Bordjes 'inkoop', 'verkoop' en 'personeelszaken' geven aan waar iedere afdeling is gehuisvest. Dagelijks komen er nieuwe orders binnen, net als levensechte bankafschriften, allemaal verzorgd door het bedrijf SimNet in Haarlem. Twee 4-VBO klassen werken hier zes uur per week om het bedrijf van de ondergang te behoeden. “Als we failliet gaan, zakken we voor ons examen”, legt Naomi van der Vlis (17) met een ernstig gezicht uit. Zo'n vaart loopt het niet, haast docent en 'simulatie-directeur' Jeannette Tahapary zich te zeggen, “maar het geeft wel aan hoe serieus iedereen het werk neemt.”

Elke afdeling kent een chef, die zijn of haar personeel moet aansturen en aan het einde van de week beoordeelt. Is het niet moeilijk om op te treden tegen je klasgenoten? Naomi: “Nee, kantoorpraktijk is het enige serieuze vak hier op school, dus kletsen doe je maar ergens anders.” Op kantoor zijn goede manieren en correcte kleding vereist en 'aan elkaar zitten' is niet toegestaan. Naomi: “Dat zijn ongewenste intimiteiten.” Ook een stage van twee weken op een kantoor hoort erbij.

Het lastige van cooperative learning zit volgens Haitink vooral in de uitvoering: hoe pak je het aan, hoe los je problemen op, welke grenzen geef je aan? Dat leer je niet uit een boekje, maar gaandeweg. De ervaringen van Papen zijn dat een les activerende didactiek vooral veel voorbereiding kost, hoewel dat volgens haar ook een kwestie van wennen is: “De organisatie van zo'n les is heel belangrijk. Je moet de weg uitstippelen en de leerlingen leggen die vervolgens geheel zelfstandig af.” Het blijft wennen: “Als een leerling me iets vraagt, bijvoorbeeld wat toegang is in het Engels, roep ik in een impuls al 'access', terwijl hij het eigenlijk zelf moet opzoeken in het woordenboek. Je moet durven loslaten en daar heeft de oude schoolmeester in mij het nog wel eens moeilijk mee.” Dat nadeel weegt niet op tegen de talloze voordelen die zij ziet: “Doordat je de groepen willekeurig samenstelt krijg je gemeleerde groepen, met goede en slechte leerlingen. De laatste groep leert veel van de manier waarop de betere leerlingen tot bepaalde oplossingen komen. Ook merk ik dat het groepswerk de eigenwaarde van de leerlingen vergroot: iedereen heeft immers een bepaalde rol binnen het team, dus iedereen is belangrijk. Een ander voordeel is dat de wat schuchtere leerling in een kleine groep eerder zijn mening zal durven geven.” Goede leerlingen worden niet beknot door de minder goede: “Ze zien dat zij bepaalde zaken eerder snappen dan anderen. Dat vergroot hun zelfvertrouwen.”

Een docent moet steeds weer bedenken wat het nut van bepaalde kennis is voor de leerlingen. “Spaans is bijvoorbeeld een vak dat veel leerlingen nemen vanwege de vakantie in Spanje”, verduidelijkt Haitink. “In die zin is de condicional nuttig: 'ik zou graag met je uit willen'. Vroeger werd deze vorm pas in een later stadium aangeleerd, nu al direct. Pas later volgt het grammaticale kader. De ordening van de lesstof wordt anders, omdat je, binnen de vaststaande exameneisen, van de leerling uitgaat.”

Door studenten al op de lerarenopleiding kennis te laten maken met activerende didactiek hoopt Haitink deze manier van werken verder te verspreiden in het voortgezet onderwijs. Sinds 1996 traint zij bovendien docenten op de scholen zelf. Momenteel zijn dat zes scholen in Amsterdam en de regio Utrecht, maar de vraag groeit en daarom zijn recent drie trainers opgeleid die Haitink gaan assisteren. Voorts verschijnt eind maart bij uitgeverij SMD het boek 'Teamleren op school en in de klas' met strategieën en praktijkvoorbeelden.

Hoeven we ons over de 'gemiddelde' Nederlandse jongere geen zorgen te maken, dat moeten we volgens de Utrechtse hoogleraar Meeus wel degelijk doen over bepaalde specifieke groepen, zoals Marokkaanse jongens die te vaak de school voortijdig verlaten. Is activerende didactiek een wondermiddel om dergelijke problemen op te lossen? Meeus vreest dat het averechts kan werken: “Die jongens hebben moeite met regels, gezag en structuur. Daar moeten ze eerst mee leren omgaan, dus die vrijheid in de klas vraagt een specifieke invulling.” Haitink brengt hier tegenin dat teamleren wel degelijk gestructureerd is: “Er wordt gelopen en gepraat, maar alleen functioneel en leerlingen corrigeren elkaar.” Of teamleren een positief effect heeft op de uitval van probleemjongeren? Op het Minkema College, met 4 procent allochtone leerlingen, speelt het probleem niet. Haitink: 'Ik ben in augustus begonnen op het Pieter Caland Lyceum in Amsterdam, waar 50 procent van de leerlingen allochtoon is, juist omdat ik die vraag beantwoord wil zien. Wel blijkt uit Amerikaans onderzoek dat teamleren in de VS de etnische relaties sterk verbetert.”