LUHMANN (2)

Met het artikel 'In de sociologische ondergrondse' (W&O, 7 februari) heeft Hendrik Spiering de lezers attent gemaakt op een artikel van Gerhard Wagner in 'Philosophy of Social Sciences' (dec. 1997): 'The End of Luhmann's Social Systems Theory'.

Deze pretentieuze kop van Wagners artikel is een vlag die de lading niet dekt. Wagner zelf constateert al dat Luhmann de meest productieve maatschappij-theoreticus in Duitsland is. En tevens dat zijn publicaties van de afgelopen decennia in diepgang en alomvattendheid van perspectief minstens gelijkwaardig zijn aan die van de internationaal meer bekende theoretische reus Jürgen Habermas. Maar met Habermas worden we al sinds de jaren zeventig doodgegooid, terwijl te weinig mensen zich in Luhmann verdiepen.

Wagner gaat in de fout wanneer hij te simplistisch beweert dat Habermas niet en Luhmann wèl het ontwikkelingspad van de Amerikaanse socioloog Talcott Parsons (1902-1979) volgt. Luhmann heeft zich juist aangesloten bij degenen die Parsons' structureel-functionele systeemtheorie kritiseerden. En in tegenstelling tot veel anderen was hij niet tevreden met het vaststellen dat Parsons' conceptie uiteindelijk onhoudbaar bleek. Hij zocht net zo lang totdat hij de oplossing voor de zwakte daarvan had gevonden.

In het functionalisme van Parsons wordt het begrip functie gebruikt in de betekenis van 'interdependentie': onderlinge samenhang tussen sociale verschijnselen. Er zijn daarbij verschillende niveaus. Jeugdcriminaliteit bijvoorbeeld is dysfunctioneel voor de samenleving, maar kan functioneel zijn voor de sociale cohesie van jeugdbendes of 'hangjongeren'. Probleem is de verwarrende rol van causale verklaringen. Want ook zonder dat er sprake is van een aantoonbaar oorzakelijk verband tussen bepaalde sociale verschijnselen, kan een sociaal verschijnsel een functie hebben voor een ander sociaal verschijnsel. Als bijvoorbeeld in de huidige Nederlandse praktijk verpleegkundigen door de steeds knellender bezuinigingsobsessie van de overheid steeds minder tijd hebben voor een gewoon praatje met patiënten (dat hoeft toch niet!), dan blijkt dat deze gewone praatjes een essentiële functie hebben voor het welbevinden van patiënten. Luhmann heeft dan ook aangetoond dat de kern van de kritiek op deze structureel-functionele systeemtheorie van Parsons kan worden teruggebracht tot bepaalde causaal-wetenschappelijke vooronderstellingen over de relatie tussen functionalisme en causaal onderzoek.

In de heersende functionalistische methode wordt functie opgevat als elke bijdrage van een 'sub-systeem' tot het instandhouden van de structuur van een sociaal systeem. De theorieën krijgen zo meestal de vorm van een hypothese over oorzaken en gevolgen. En het onderzoek draait om hoe de empirische geldigheid van deze causale wetten kan worden vastgesteld. Daardoor gaat de zelfstandigheid van de functionele methode verloren: de functionele methode is nog slechts een sub-categorie van causaliteit.

Luhmann bestrijdt die gang van zaken. Want het is juist omgekeerd: causaliteit is slechts een speciale vorm van functionaliteit. Centraal staat bij Luhmann het vaststellen van de 'functionele equivalenties'. 'Functie' is niet een te veroorzaken gevolg, maar een regulerend 'zin-schema'. Functie is dus een relatief uitgangspunt. Op zichzelf onvergelijkbare concrete gevallen kunnen vergelijkbaar worden gemaakt door te kijken naar de functie die ze vervullen. Wat heeft een vergadering van 25 man te maken met een voetbalwedstrijd? Toch kunnen deze zinvol vergeleken worden door functionele equivalenties vast te stellen: spelregels, leiderschap, tactiek, samenwerking of tegenwerking, enzovoorts.

Om een lang verhaal kort te maken: Luhmann is erin geslaagd een functioneel-structurele sociale systeemtheorie te ontwikkelen die verschilt van de structureel-functionele sociale systeemtheorie van Parsons, en de zwakten daarvan overwint. Wagner verwijt Luhmann dat deze in het onderscheid tussen sociaal systeem en zijn omgeving een fundamentalistisch uitgangspunt heeft gekozen. Terwijl Luhmann toch omstandig duidelijk maakt dat voor hem de 'vrijheid' van mensen het uitgangspunt vormt. Zijn sociale systeem is niets anders dan elke vorm van intermenselijke communicatie (een gezin, een bedrijf, de maatschappij). En met zijn (relatieve) vervangbare functionele equivalenties maakt Luhmann duidelijk dat hij ver verwijderd is van het determinisme van Parsons.

Wie zich de moeite getroost zich te verdiepen in wat Luhmann zèlf schrijft, wordt ruimschoots beloond met inspirerende perspectieven. Hij schreef onder andere over 'Vertrauen' (1968), 'Macht' (1975), 'Politische Planung' (1971), recht, economie, conditionele programmering en wat al niet. 'Legitimation durch Verfahren' (1969) is slechts één van zijn topprestaties: over het bijdragen tot legitimatie door goede procedures te volgen. Ook in Nederland wordt de betekenis van Luhmann meer onderkend. Zoals blijkt uit het recente proefschrift van L. Schaap: 'Op zoek naar prikkelende overheidssturing' (1997).