'Liever geen, dan een slecht monument'

Alle ontwerpen voor een Holocaust-monument in Berlijn, zijn omstreden. “Als het monument er niet komt, is dat geen catastrofe” zegt historicus Reinhard Rürup.

BERLIJN, 14 MAART. Het treurspel rondom het Holocaust-monument in Berlijn nadert zijn ontknoping. Kiest bondskanselier Helmut Kohl nog deze maand in eenzaamheid een van de vier ontwerpen? Of slaat hij een andere weg in om de vermoorde joden te herdenken?

De hevige strijd heeft zoveel onbehagen losgemaakt, dat veel Berlijners het gedenkteken helemaal niet meer willen. “We kunnen beter geen monument bouwen, dan een slecht monument”, zegt professor Reinhard Rürup, historicus in Berlijn. aarzelend - hij is van meet af aan voorstander geweest van een monument voor alle omgekomen joden in Europa.

Het Holocaust-gedenkteken heeft de regering-Kohl en de Berlijnse Senaat in een lastige situatie gebracht. Er is dermate heftig en lang over gedebatteerd, dat zelfs fervente voorstanders geen zin meer hebben zich voor deze plek van herinnering in te zetten. Anderen gebruiken de recente ontdekking van een vroegere nazi-bunker als argument om het hele project af te blazen.

Op het terrein waar het Holocaust-monument moet komen, tussen de Brandenburger Tor en Potsdamer Platz, werden onlangs op de resten van de bunker van Joseph Goebbels gevonden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Goebbels minister van propaganda van Adolf Hitler. Vreemd was het niet, dat de bunker werd gevonden. De wijk was het machtscentrum van de nazi's, die zo'n dertien ondergrondse schuilplaatsen hadden aangelegd, waaronder die van Hitlers Rijkskanselarij.

“De bunker van Goebbels kan het best zo snel mogelijk worden weggehaald. Een schuilplaats mag het monument niet in de weg staan”, aldus Rürup, die vindt dat er informatievere overblijfselen zijn van het nationaal-socialisme.

Belangrijker is dat ook de nieuwe ontwerpen voor een gedenkteken omstreden zijn. “We hebben twee rondes gehad waarin kunstenaars ontwerpen hebben gemaakt en het resultaat is nog steeds niet overtuigend”, zegt Rürup. “We moeten niet 'partout' willen bouwen vanwege het prestige. Als het monument er niet komt, is dat geen catastrofe.”

Of de politiek het aandurft een dergelijk besluit te nemen? Er wordt immers al bijna tien jaar over het Holocaust-monument gesproken. In 1988 kwam een groep burgers onder leiding van de publiciste Lea Rosh met het initiatief om in Berlijn een gedenkteken op te richten voor de Europese joden die door de nazi's zijn vermoord. Jaren later vond zij gehoor bij de politiek en in 1995 werd een grootscheepse prijsvraag uitgeschreven. Maar het winnende model - een betonnen grafplaat ter grootte van twee voetbalvelden - stuitte op heftige kritiek. Opgelucht haalden de tegenstanders adem toen de kanselier het model afwees.

Opnieuw volgden discussies en nieuwe ontwerpen. Waarom kon er geen monument komen voor vermoorde zigeuners, homoseksuelen en communisten? Waarom moest het zo kolossaal zijn, “grenzend aan blasfemie”, zoals de schrijver György Konrád zei. Het kon toch ook een plaats zijn waar de omgekomen joden graag hadden gespeeld en gegeten?

De vier nieuwe ontwerpen lagen nog niet op tafel of er brak wederom een golf van kritiek los. Te veel beton, te monumentaal, te abstract. Eerder dit jaar trok de kanselier naar Berlijn om zelf de modellen te bekijken. Hij zou, wordt gefluisterd, een lichte voorkeur hebben voor het ontwerp van Peter Eisenman en Richard Serra. Hun monument bestaat uit 4000 betonnen pijlers van verschillende hoogte; een woud waarin de bezoeker zich bewust gedesoriënteerd voelt.

De kanselier was nog niet terug in Bonn of hij kreeg een brief van 19 prominente landgenoten drongen er bij Kohl op aan het plan in de ijskast te zetten. Zij hadden gehoopt dat een monument een “plaats van herinnering” en “stil verdriet” zou worden. Maar hoe moest dit worden verenigd met de immens grote en abstracte ontwerpen? SPD-parlementariër Peter Conradi vindt dat de zaak aan een stichting van onafhankelijke burgers moet worden overgelaten. “Het monument dreigt inzet van de verkiezingsstrijd te worden. Dat zou fataal zijn.”