Jonge daders

“HET VALT TE VREZEN dat we de situatie naderen waarin de rechter onder het niveau van straftoemeting duikt dat door de burger nog aanvaardbaar wordt geacht. Niet omdat de rechter minder zwaar is gaan straffen maar omdat in de samenleving hogere straffen worden verlangd”. Zo maande het lid van de Hoge Raad Corstens vorige maand zijn vakbroeders in het Juristenblad. Het was niet helemaal duidelijk waar hij eigenlijk heen wil: zwaarder straffen tegen beter weten in?

Voorzover de toprechter bedoelde eraan te herinneren dat de rechtspleging in toenemende mate onder druk staat van de publieke opinie, heeft hij volledig gelijk. “Mediatisering” wordt het zelfs genoemd in de opstellenbundel die gisterenavond werd aangeboden aan de bekende strafpleiter Spong ter gelegenheid van zijn vijfentwintigjarig jubileum als advocaat. Eerder sprak de betrokken auteur al van “turbostrafrecht”

Toch behoort het tot de kerntaken van een goede justitie om de buitenwacht af en toe nee te verkopen. Een voorbeeld is het drama in Lelystad waar twee jongetjes van negen jaar de dood hebben veroorzaakt van een meisje van drie. Daar werd geen recht gedaan, vond de buurt en bedacht een eigen straf: de twee kinderen en hun ouders moesten de wijk uit. Het werd een onverdraaglijke gedachte gevonden dat de kinderen na zo iets ergs gewoon in de buurt zouden blijven rondlopen.

Dat gebeurt natuurlijk ook niet; het aangerichte kwaad vormt een levenslange last voor de betrokkenen (en hun ouders). Het ging de buurt om een directe en zichtbare vergelding. Men kan het echter ook anders zeggen: de gewone rechtspleging is niet ontworpen voor zeer ernstige strafbare feiten die worden gepleegd op uitzonderlijk jonge leeftijd. Als het om volwassenen was gegaan, zou het gedrag van het tweetal zonder meer vallen in de termen van een levensdelict. Maar het zì geen volwassenen. En het Nederlandse strafrecht kent een absolute minimumleeftijdsgrens van twaalf jaar voor strafrechtelijke aansprakelijkheid. DERGELIJKE LEEFTIJDSGRENZEN zijn internationaal volstrekt geaccepteerd. Ook als ze niet zouden bestaan, zou het recht zich altijd verzetten tegen berechting van kinderen die de leeftijd des onderscheids nog niet hebben bereikt. Verlaging van die grens, zoals na Lelystad direct werd geopperd door enkele politici, lost weinig op. Zelfs in Engeland, dat de grens op tien jaar stelt, zou het tweetal uit Lelystad niet voor de strafrechter zijn gebracht. Dat gebeurde in 1993 wél met de twee jongens die de peuter James Bulger uit een winkelcentrum in Liverpool hadden meegenomen en om het leven gebracht. Zij zaten net boven de leeftijdsgrens.

In een openbaar proces werden de twee Britse jongens onder enorme media-aandacht veroordeeld tot een vrijheidsbeneming van onbepaalde duur. Deze berechting heeft op zijn beurt geleid tot een klacht bij het Europese hof voor de mensenrechten in Straatsburg. De jongetjes zouden ernstig zijn getraumatiseerd door een proces waarvan ze niets konden begrijpen. Vorige week werd deze klacht in Straatsburg ontvankelijk verklaard. Deze beslissing zegt niet het laatste woord over deze zaak, maar vormt in elk geval geen aanbeveling voor de strafrechtelijke benadering. HOE KLEIN DADERS OOK ZIJN, een overheidsreactie die de ernst van het gebeurde markeert, kan niet worden gemist. Bij “twaalfminners”, zoals ze worden genoemd, is dat een civielrechtelijke procedure voor de kinderrechter. Deze kan voorzien in een ondertoezichtstelling van het kind, inclusief allerlei pedagogische maatregelen, maar zonodig ook plaatsing in een inrichting. Deze civiele procedure is niet openbaar, maar dat geldt in beginsel ook voor een strafrechtelijke vervolging van minderjarigen boven de minimumleeftijdsgrens.

De woede in Lelystad lijkt niet in de laatste plaats te berusten op het overigens wijderverbreide misverstand als zou het civiele jeugdrecht minder voorstellen dan het jeugdstrafrecht. Voor een kind maakt het echter weinig uit of de kinderrechter zijn strafrechtelijke dan wel zijn civielrechtelijke toga aantrok. Zeker als het om uithuisplaatsing gaat. Een internaat is een internaat, hoe je daar ook terecht bent gekomen.

Het uitleggen van de genomen maatregelen aan de buitenwereld is in dit soort gevallen een probleem apart. Er is in elk geval weinig reden het geval-Lelystad op te vatten als een symptoom van toenemende criminaliteit onder zeer jonge kinderen. Daar is met enige regelmaat sprake van, maar het probleem is natuurlijk dat “twaalfminners” vanwege de wettelijke minimumleeftijdsgrens vaak niet zijn terug te vinden in de officiële politie- en justitiestatistieken.

Het wetenschappelijk onderzoekscentrum van het ministerie van justitie heeft daarom twee jaar geleden ten behoeve van het rapport-Van Montfrans over de aanpak van jeugdcriminaliteit intensieve gesprekken gevoerd met praktijkmensen. Zij waren unaniem van mening dat er geen aanleiding bestaat de strafrechtelijke benedengrens te verlagen.

Ernstige vergrijpen door “twaalfminners” blijven uitzondering en wijzen veeleer op problemen van pedagogische en sociale aard dan op een justitieel- of veiligheidsprobleem. Ook dit onderzoeksresultaat wijst in de richting van een civielrechtelijke reactie, toegesneden op de ernst van het gebeurde.