Jeugd en seks

Janita Ravesloot, Seksualiteit in de jeugdfase vroeger en nu. Ouders en jongeren aan het woord - Amsterdam, Het Spinhuis, 243 blz. Rijksuniversiteit Leiden, 18 december 1997; Promotor prof.dr. M. du Bois-Reymo

Op het eerste gezicht beviel dit proefschrift me niet. Praten over de 'jeugdfase' als je gewoon de jeugd bedoelt, is een beetje academische dikdoenerij, terwijl de ondertitel weer erg onaangenaam doet denken aan de EO op zaterdagavond. In het boek zelf komen we dan weer begrippen tegen die sterk doen denken aan de titels van de slechtste Suske en Wiske-albums. Er is sprake van ontspannen afwachters, behoedzame ontmoedigers, ongeduldige gefrustreerden weloverwogen compromissluiters en bewuste uitstellers. Jongeren lijden soms nog onder ouderwetse bevelsouders en als ze daar geen last van hebben, zitten ze met een 'vaste coïtusrelatie', wat toch ook klinkt als iets waar je van verlost zou willen worden. Maar toch, achter dit scherm van vreselijke woorden blijkt een heel aardig boek schuil te gaan, dat voortkomt uit een nog veel aardiger onderzoek. Reden genoeg dus om er alsnog aandacht aan te besteden.

De opzet van het onderzoek is heel origineel. 'Jongeren van 80', geboren tussen 1968 en 1972, worden op seksueel gebied een paar jaar gevolgd, terwijl tegelijkertijd hun ouders - de 'jongeren van 50' dus, geboren tussen vooral 1938 en 1945 - gevraagd wordt naar hun eigen ervaringen toen zij zelf tieners waren. Wat mochten zij wel en niet van hun ouders op seksueel gebied en wat staan zij hun eigen kinderen toe? Die vraag is natuurlijk vooral interessant omdat de 'ouders van 80' zelf nog traditioneel zijn opgevoed, maar in hun tienertijd de snelle liberalisering van de seksualiteit hebben meegemaakt. Zij zijn de schakelgeneratie tussen een seksueel beklemd verleden en een vanzelfsprekend liberaal heden.

Het aantal respondenten is in een kwalitatief, longitudinaal en intergenerationeel onderzoek als dit noodzakelijkerwijze beperkt: het gaat hier om 120 jongeren (schoolverlaters) en in principe ten minste een van hun ouders. Met hen zijn in verscheidene rondes intensieve persoonlijke interviews gehouden. De statistische generaliseerbaarheid blijft dan moeilijk vast te stellen, maar de samenhangen die getoond worden zijn in hun herkenbaarheid waarschijnlijk zeer representatief voor wat zich in de samenleving als geheel heeft voorgedaan.

Eenmalig kwantitatief vragenlijst-onderzoek naar het seksuele gedrag van jongeren is er in de laatste 25 jaar bovendien al heel wat gedaan en de conclusie is eigenlijk altijd hetzelfde: het begin van de seksuele activiteit ligt steeds vroeger in de puberteit en voor steeds meer jongeren is het gewoon geworden seksueel al behoorlijk ervaren de volwassenheid in te gaan. Dat blijkt ook uit het onderzoek van Janita Ravesloot, maar dat gaat toch verder, omdat het ook wil weten hoe jongeren daar zelf tegen aankijken, wat voor plaats ze aan seksualiteit toekennen in hun eigen ontwikkeling en welke keuzes ze maken. Nog minder bekend is hoe de ouders van nu (het onderzoek is uitgevoerd tussen 1988 en 1992) daar tegenaan kijken. Om er geen misverstand over te laten bestaan: de ouders van nu laten hun kinderen in seksueel opzicht zeer vrij, al hopen ze meestal wel dat de eerste geslachtsgemeenschap niet al te jong plaatsvindt en wel al meteen een plaats heeft in een wat bestendige en door liefde bepaalde relatie. De meeste jongeren geven daar ook zelf de voorkeur aan, al betekent dat allerminst dat ze zich daarmee ook al voor de toekomst vastleggen.

Het contrast met de ontwikkelingsgeschiedenis van de ouders is in alle opzichten heel groot. De meeste ouders, zeker de meeste moeders, zijn nog voorbereid op de 'standaardbiografie' van de volwassene: de man is kostwinner, de vrouw huisvrouw en moeder. Het eerste seksuele contact hoort in het huwelijk plaats te vinden en de meeste meisjes uit de jaren '50 blijken daar ook bijna in te slagen. Bijna, want de jongeren onder hen - de tieners van begin jaren '60 - blijken in meerderheid wel al voor het huwelijk met hun aanstaande echtgenoot naar bed te zijn geweest ('Ik wist dat ik ging trouwen, dus het mocht alvast...'). Dat paste toen ook al in de tijd, omdat er steeds meer waarde aan werd gehecht dat de partners ook seksueel goed bij elkaar zouden passen. Je zou het dus als een marginale toetsing van wederzijdse huwelijksgeschiktheid kunnen zien.

Weinig moeders lijken hun dochters dit als ideaal te willen voorhouden, laat staan het wachten tot het huwelijk. In de verhalen van de generatie van 50 over hun jeugd klinkt weinig nostalgie door. Er moest veel, er mocht weinig en van seksualiteit wist je niks. Jongens werden achter de broek gezeten om hun opleiding te voltooien en meisjes werden weinig minder dan bewaakt. Een fatsoenlijk meisje droeg geen broek of een korte rok, gebruikte geen lipstick en had geen omgang met jongens, zeker niet met jongens van een andere stand of een ander geloof. Het is opvallend hoeveel moeders van nu aangeven 'stiekem' geprobeerd te hebben onder deze strikte regels uit te komen . Hun eigen dochters hebben zij dat soort ellende in ieder geval niet willen aandoen.

Het beeld dat de ouders van zichzelf hebben is aardig, tolerant en communicatief. Dat laatste wordt door de jongeren ten aanzien van seksualiteit zeker niet erg beaamd. Bijna 50 procent spreekt van 'betrokkenheid zonder ingrijpen' en ook het dreigen met sancties blijkt toch nog voor te komen, vooral in de lagere sociale milieus. De ouders vinden zelf dat zij gericht zijn op praten en op consensus, de jongeren valt dat minder op. Janita Ravesloot ziet daarin niet zozeer een conflict, maar een verschil in perspectief. De ouders vergelijken zich met hun ouders - en dan zijn ze natuurlijk heel erg open in hun houding en gemiddeld weinig geneigd tot bevelen hun toevlucht te nemen - maar de kinderen maken die vergelijking met opa en oma natuurlijk niet. Bovendien, ook opa en oma zijn niet meer de strenge ouders, die zij dertig of veertig jaar geleden waren.

Van de schoolverlaters tussen de 16 en 20 jaar heeft in dit onderzoek in 1988 zo'n 30 procent al coïtuservaring, twee jaar later is dat opgelopen tot 60 procent. Van een huwelijk is dan nog geen sprake, hoogstens van vaste verkering. Het beeld is niet dat iedereen maar met iedereen 'onmiddellijk het bed induikt' (dat is de standaarduitdrukking in vrijwel alle interviews voor het gedrag dat door ouders gevreesd en door jongeren afgewezen wordt), maar wel dat het gevoel en niet de duurzaamheid of de stevigheid van de relatie seks legitimeert. Dat geldt zowel voor jongens als voor meisjes; van de oude dubbele moraal die jongens meer toestaat dan meisjes, zijn nog maar kleine restjes over. Wel is de grotere kwetsbaarheid van meisjes nog altijd een punt van zorg en is het van de ouders toch vooral de moeder met wie over seksualiteit en relaties gesproken wordt. Als er al over gesproken wordt, want bijna 40 procent van de jongeren praat met helemaal niemand over de eigen seksualiteit.

De impliciete boodschap - ook bij Janita Ravesloot - is dat dit niet goed is. Zolang er over seks nog niet open en vrij 'gecommuniceerd' wordt, is er voor voorlichters nog werk aan de winkel. Maar is dat nu wel zo? Juist uit dit onderzoek blijkt zo mooi hoe belangrijk seksualiteit kennelijk is in het proces van zelfstandig worden en ook van het afscheid nemen van de ouders. Dat vraagt een zekere ingekeerdheid, die na enkele jaren vanzelf weer wat minder wordt. Er kan dan in ieder geval met de partner gepraat worden. Bij de ouders lijkt er eveneens sprake van een bijna natuurlijke terughoudendheid om in de eigen wereld van hun kind binnen te dringen. Vroeger 'moest' dat wel, omdat seks verboden terein was, maar ook toen vermeed men om al te specifiek te worden over wat er allemaal niet mocht.

De vergelijking met vroeger is trouwens toch al lastig, omdat er toen natuurlijk geen sprake van was dat er over de eigen seksuele gevoelens en verlangens gesproken zou kunnen worden. Het ging toen nog over waar de babytjes vandaan kwamen en zelfs dat was al nauwelijks bespreekbaar. Meer dan de helft van de meisjes uit de jaren vijftig werd zelfs niet door hun moeder voorbereid op de eerste menstruatie en ook daarna werd er meestal het zwijgen toegedaan. Wie denkt dat er vroeger zo goed in de familiekring over alles gepraat kon worden en dat men elkaar ook zo bijstond, moet de tienergeschiedenis van de (groot)ouders van nu zeker lezen. Misschien kon er zoveel zo snel en zo blijvend veranderen, omdat de generatie van 50 hun eigen kinderen niet wilde aandoen wat ze zelf als zo beklemmend en beknellend beleefd hebben.