Inzicht in gebruik van medicijnen geboden

Apothekers, huisartsen en specialisten weten te weinig van elkaar welke geneesmiddelen hun patiënten gebruiken. Intensiever overleg tussen hen ligt in de rede.

DEN HAAG, 14 MAART. Veel onderzoek naar geneesmiddelen in ziekenhuizen is wetenschappelijk niet van belang. Het voegt weinig of niets toe aan de bestaande kennis - het medicijn is al lang geregistreerd - en de opzet ervan rammelt aan alle kanten. Het gaat de opdrachtgever, de fabrikant, meestal dan ook helemaal niet om het onderzoek. Het onderzoek dient als verkoopinstrument. Door de medisch specialist, soms fors, te belonen voor zijn medewerking aan het 'onderzoek', verwacht de industrie dat deze daarna het betreffende medicijn voorschrijft. Directies van ziekenhuizen moeten veel scherper gaan letten op deze 'seeding trials', zoals ze in het marketingjargon worden genoemd. Er bestaan wel regels die paal en perk moeten stellen aan ongewenste commerciële beïnvloeding van beroepsbeoefenaren, maar betwijfeld wordt of deze regels wel worden nageleefd.

Dit is een van de aanbevelingen die de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg doet in het advies Farmaceutische zorg door arts en apotheker dat deze week aan minister Borst (Volksgezondheid) werd aangeboden.

In dit advies houdt de raad, op verzoek van Borst, de gang van het geneesmiddel tegen het licht vanaf het moment van inkoop door de apotheker tot en met het gebruik door de patiënt.

De raad wil niet alleen in het ziekenhuis de invloed van de farmaceutische industrie op het voorschrijven van geneesmiddelen beperken. Ook bij de inkoop - door de apotheker - moet worden ingegrepen. In dat geval is het van groot belang dat de apotheker daadwerkelijk onafhankelijk kan adviseren over het gebruik van medicijnen. Daartoe mag de omzet (en daarmee het inkomen) van de apotheker niet langer sterk afhankelijk zijn van de bonussen en kortingen die hij krijgt bij de groothandel en de fabrikant. De raad wil die kortingen ten goede laten komen aan de sector als geheel (ze maken de medicijnen goedkoper). De apotheker zelf zou maar een klein deel ervan, bijvoorbeeld vier procent, mogen behouden. Dit is nodig als prikkel voor de apotheker om zo goedkoop mogelijk medicijnen in te (blijven) kopen.

Ook kan er nog veel worden verbeterd aan het gebruik van medicijnen door de patiënt. Jaarlijks eindigt 56 procent van de bezoeken aan de huisarts met een recept. In 1996 werden er 112 miljoen recepten uitgeschreven, waarbij Turken en Marokkanen twee keer vaker dan Nederlanders een medicijn op recept kregen.

Een groot deel van de voorgeschreven medicijnen wordt niet of verkeerd gebruikt. Betere voorlichting aan de patiënt kan daarbij helpen. Maar de hulpverlener moet er ook beter op gaan toezien dat de patiënt zijn medicijn ook daadwerkelijk op de juiste wijze gebruikt. Met name bij patïenten die meerdere medicijnen krijgen voorgeschreven, levert het gebruik problemen op. Bijna 30 procent van 75-jarigen slikt meer dan vier geneesmiddelen. Zo'n 5 procent van de voorgeschreven medicijnen wordt niet afgehaald, eenzelfde percentage wordt bij de apotheker teruggebracht terwijl een veelvoud door de patiënten gewoon niet wordt gebruikt en op den duur bij het afval verdwijnt.

Verder kan een betere samenwerking tussen apothekers, zowel die in het ziekenhuis als daarbuiten in de 'openbare' apotheek, medisch specialisten en huisartsen zorgen voor meer doelmatigheid, wat ook voor de patiënt veel 'gezonder' kan zijn, zo concludeert de raad. Vaak weten specialist en huisarts niet van elkaar welke medicijnen de patiënt gebruikt of heeft gebruikt. Soms heeft dit tot gevolg dat deze medicijnen elkaar neutraliseren, maar vaker leidt het tot ernstige bijwerkingen met grote schade als gevolg.

In de meeste ziekenhuizen hebben de apotheker en de medisch specialisten afspraken gemaakt welke medicijnen wanneer wel of niet worden voorgeschreven. De uitvoering wordt door de ziekenhuisapotheker bewaakt, maar dat toezicht geldt voornamelijk patiënten die in het ziekenhuis worden verpleegd.

De medicijnen die de specialist in de polikliniek voorschrijft, worden door de patiënt meestal niet bij de ziekenhuisapotheker afgehaald maar in de openbare apotheek. Daardoor valt het voorschrijfgedrag in de polikliniek in een grijs gebied. Buiten het ziekenhuis daarentegen maken apothekers en huisartsen afspraken over het medicijngebruik in het kader van het zogeheten 'farmacotherapeutisch overleg' (FTO). Vorig jaar waren er al ruim achthonderd van deze 'FTO-groepen.'

De raad voor de Volksgezondheid en Zorg stelt nu voor dat overleg binnen en buiten het ziekenhuis regionaal te gaan samenvoegen. Regionaal kunnen dan de deskundigen (apothekers) en voorschrijvers (huisartsen en specialisten) afspreken wat wanneer wel of niet wordt voorgeschreven. Die samenwerking maakt het ook mogelijk een compleet 'geneesmiddelendossier' van een patiënt op te bouwen en te raadplegen.