Het inkomen van het Raadslid

Sinds vorige week woensdag zijn het er 10.267, de vertegenwoordigers van de lokale politiek in de 548 Nederlandse gemeenten: de raadsleden. Enkelen worden wethouder, de meesten nemen als gewoon raadslid deel aan het werk van het gemeentebestuur. Behalve de eer levert het werk ook een vergoeding op.

De 1.550 gemeenteraadsleden van de middelgrote gemeenten (18.000-24.000 inwoners) krijgen op jaarbasis een inkomstendervingsvergoeding van ruim 20.000 gulden, die wordt aangevuld met een tegemoetkoming voor gemaakte kosten van 3.646 gulden. De 381 raadsleden in gemeenten met minder dan zesduizend inwoners krijgen op jaarbasis een vergoeding van 3.501 gulden en een tegemoetkoming van 1.106 gulden.

In achttien stappen kan dit bedrag oplopen tot een vergoeding (op jaarbasis) van 38.721 gulden en een tegemoetkoming van 6.630 gulden voor de 135 raadsleden van gemeenten met meer dan 375.000 inwoners. Binnenlandse Zaken bepaalt ieder jaar op basis van de consumentenprijsindex van de maand september de nieuwe vergoeding voor januari van dat jaar daarop.

Raadsleden van partijen die in het college van burgemeester en wethouders komen, maken kans op de post van wethouder. Daar wordt een andere onderverdeling gehanteerd dan bij het vaststellen van de vergoeding voor het raadslidsmaatschap. De 1.656 wethouders die in één van de 548 colleges zitting hebben, krijgen naar grootte van de gemeente een bezoldiging, of wedde, van minimaal 2.561 gulden (bij gemeenten tot 8.000 inwoners, het parttime wethouderschap) tot maximaal 14.480 gulden per maand (gemeenten groter dan 375.000 inwoners) De onkostenvergoeding voor wethouders bedraagt op jaarbasis 3.563 gulden (tot 8.000 inwoners) tot 8.274 gulden (meer dan 18.000 inwoners).

Wethouders en gewone raadsleden hebben nevenfuncties waar soms ook voor wordt betaald. De Utrechtse wethouder R. Kernkamp, bijvoorbeeld, heeft in totaal vijf bezoldigde nevenfuncties. In totaal krijgt hij daarvoor 35.150 gulden. Een commissariaat bij energiebedrijf REMU levert 7.500 gulden aanwezigheidsgeld en 3.000 gulden onkostenvergoeding op, bij stroomleveringsbedrijf Pegus moet Kernkamp het doen met 4.000 gulden aanwezigheidsgeld. De inkomsten van wethouders uit nevenfuncties (functies, die het gevolg zijn van het wethouderschap) worden allemaal in de gemeentekas gestort omdat het inkomen van de wethouder voldoende moet zijn.

Een steekproef bij een aantal gemeenten leert dat functies bij waterschappen, commissariaten, adviesfuncties, voorzitterschappen van wijkcomités en sportverenigingen populair zijn. Een bestuursfunctie bij bijvoorbeeld een van de 66 waterschappen levert als algemeen bestuurder op jaarbasis zo'n 3.000 gulden extra op, voor een functie in het dagelijks bestuur toucheer je het tienvoudige.

Het raadslidmaatschap is over het algemeen geen fulltime baan en levert dan ook bijna nooit een fulltime betaling op. Het aanhouden van de eigen baan of het zoeken naar betaalde nevenfuncties is noodzaak. Veel gemeenten geven de nevenfuncties al een kwalificatie mee: bezoldigd of onbezoldigd. Een directeur van een makelaarskantoor of een lid van het waterschap (bezoldigd) moet nu eenmaal oppassen dat er geen belangenverstrengeling optreedt, terwijl een onbetaalde baan als bijvoorbeeld adviseur van een onderwijsinstelling minder risico's meebrengt.

De huidige regeling voor onkostenvergoeding, die wordt verstrekt om zaken als kopieerkosten, studiekosten en abonnementen op vakliteratuur te betalen, gaat binnenkort op de helling. Een onderzoekscommissie gaat kijken of de vergoeding nog wel toereikend of wellicht zelfs te hoog is. “Er zijn wel eens klachten van raadsleden over de geringe hoogte van de vergoeding, maar het komt ook voor dat men eraan overhoudt”, meldt een woordvoerder van de Vereniging Nederlandse Gemeenten.

De oververtegenwoordiging van onderwijzers en ambtenaren bij de raadsleden baart vele gemeenten zorgen. Het kost ze steeds meer moeite om vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven bereid te vinden een baan als raadslid te accepteren. “Logisch”, meent een woordvoerder van de gemeente Zutphen, “ambtenaren kunnen vaak via een wachtgeldregeling een garantie op terugkeer naar hun oude baan krijgen, dat geldt voor het bedrijfsleven niet.”

De wachtgeldregeling voor wethouders is zo complex dat ze er op Binnenlandse Zaken niet eens zicht op hebben. “Volgens mij zijn er wel 600 regelingen”, aldus een woordvoerder. Op basis van de normale wachtgeldregeling wordt per gemeente een verordening - gebasseerd op een modelverordening van de VNG - opgesteld. Een wethouder krijgt wachtgeld voor periode die even lang is als zijn wethouderschap heeft geduurd, maar dat moet minimaal twee en maximaal zes jaar zijn. Voor 50-plussers geldt een onbeperkte wachtgeldregeling tot het 65ste jaar, mits ze binnen een periode van 12 jaar 10 jaar lang wethouder zijn geweest. In het eerste jaar bedraagt het wachtgeld 80 procent van de laatsverdiende bezoldiging, daarna zakt het naar 70 procent.

Aantal raadsleden (per maart 1998): 10.267

Minimum inkomstendervingsverg. (per 1-1-98; ≤ 6.000 inw.): 3.501

Maximum inkomstendervingsverg. (per 1-1-98; ≥ 375.000 inw.): 38.721

Minimum onkostenvergoeding (per 1-1-98; ≤ 6.000 inw.): 1.106

Maximum onkostenvergoeding (per 1-1-98; ≥ 375.000 inw.): 6.630

Aantal wethouders (per maart 1998): 1.656

Minimum bezoldiging (per 1-5-97; ≤ 8.000 inw.): 2.561

Maximum bezoldiging (per 1-5-97; ≥ 375.000 inw.) 14.480

Minimum onkostenvergoeding: (per 1-1-98; ≤ 8.000 inw.): 3.563

Maximum onkostenvergoeding: (per 1-1-98; ≥ 18.000 inw.): 8.274

Bron: VNG/SGBO; bedragen in guldens per jaar