Het carpale tunnel syndroom verdwijnt met ultrageluid

Tintelingen en dood gevoel in de vingers (in de wijs- en ringvinger, vooral 's nachts of na het ontwaken) vormen de vaak moeilijk te bestrijden klachten van patiënten met het carpale tunnel syndroom.

Bij deze veel voorkomende aandoening wordt de mediane zenuw (nervus medianus) in de pols afgekneld vanwege de beperkte ruimte in de pols. Dit gebeurt als beschadigde of geïrriteerde pezen opzwellen na een trauma of door overbelasting van de pols. Men behandelt dergelijke patiënten met polsspalkjes 's nachts of injecties met prednison (om de zwelling te laten verdwijnen). In veel gevallen verminderen de klachten daar nauwelijks door en als dat wel gebeurt, komen de symptomen op den duur weer terug. Afgezien van wellicht chirurgie (in uiterste gevallen wordt het polsligament chirurgisch gekliefd) bestond er geen echt bevredigende therapie voor deze aandoening. Oostenrijkse artsen hebben nu aangetoond dat een behandeling met ultrageluid werkt (British Medical Journal, 7 maart).

In het Weense universiteitsziekenhuis werden alle patiënten die een carpale tunnel syndroom aan beide handen hadden uitgenodigd om deel te nemen aan een experiment met ultrageluid. Uiteindelijk deden er 45 patiënten met vrij ernstige klachten mee. Bij hen werd volgens het lot de ene pols twintig keer behandeld met ultrageluid, de andere met een schijn-ultrageluidsbehandeling. Het effect van ultrageluidstrillingen is mechanisch (micromassage) en thermisch (door trillingen in de weefsels). De patiënten konden zelf niet uitmaken welke pols behandeld werd omdat de intensiteit van het ultrageluid onder de gevoelsdrempel bleef. Zelfs de therapeut was er niet van op de hoogte, omdat een niet bij de behandeling betrokken medewerker de apparatuur instelde.

De werkzaamheid van de ultrageluidsbehandeling werd bepaald door op drie tijdstippen de zenuwgeleiding in de pols te meten: voor de therapie, aan het einde en na zes maanden. Ultrageluid bleek de geleidingstijd duidelijk te verbeteren, zelfs nog na zes maanden. Ook subjectief waren de klachten in de behandelde pols bij 68% van de patiënten duidelijk verminderd of zelfs geheel verdwenen. In de schijnbaar behandelde polsen was overigens ook in 38% van de gevallen sprake van verbetering: een placebo-effect. Al met al bleek het effect van ultrageluid net zo goed en zelfs duurzamer dan prednison-injecties, terwijl prednison het nadeel heeft dat het bij herhaalde toediening de zenuwen en pezen kan beschadigen. Na de ultrageluidsbehandeling waren er geen bijwerkingen.

Ultrageluid lijkt dus een bevredigende therapie voor patiënten met het carpaal tunnel syndroom. De Oostenrijkers wijzen er wel op dat hun resultaten eerst in een ander onderzoek bevestigd moeten worden en dat ook nog niet vaststaat wat het beste behandelingsschema is. Het kan ook zijn dat ultrageluid gecombineerd met prednison of een polsspalkje nog effectiever is.