Een steen voor Van der Lubbe

Stichting: Een graf voor Marinus van der Lubbe. Wolvenstraat 18/1. 1016 EP Amsterdam. ABN-AMRO 50.66.30595

Sinds Marinus van der Lubbe in 1934 werd onthoofd, en daarmee het eerste officiële slachtoffer van de nazi's werd, ligt hij begraven in een anoniem graf ergens in Leipzig, zonder steen, met nog wat andere doden boven hem. Enkele kunstenaars en Volkskrant-journalist Martin Schouten vinden het nu tijd voor rehabilitatie en hebben daarvoor een stichting in het leven geroepen. Schouten: “Van der Lubbe stak de Rijksdag in brand. Dat was een moedige daad van verzet tegen Hitler. Hij heeft er met zijn leven voor moeten betalen. Hij verdient het daarvoor geëerd te worden.”

De stichting wil geld inzamelen voor een gedenksteen op het graf. Ze kwam op dat idee nadat het gemeentebestuur van Leipzig vorig jaar al besloot de onthoofde Van der Lubbe een waardig graf te geven. Waarschijnlijk gebeurt dit in 2006 als de graven boven die van Marinus geruimd worden. De stichting wil de steen volgend jaar op de geboortedag van Van der Lubbe plaatsen.

Van der Lubbe was een ongeletterde metselaar die in de crisisjaren in Leiden bekendheid genoot omdat hij te pas en te onpas op zeepkisten klom om zijn collega-proletariërs op te roepen tot revolutie. Na zijn dood bleef hij door de hoofden van nieuwe generaties spoken. Hoewel het grote publiek hem kende als een 'halve gare' die als instrument van de nazi's het parlementsgebouw in Berlijn in brand stak - om de nazi's daarmee een alibi te verschaffen om met de communisten af te rekenen - namen enkele mensen, vaak los van elkaar, de moeite de archieven na te spitten en de waarheid over Van der Lubbe te achterhalen. Zo ook Schouten, die in 1986 een biografie over hem schreef: “Ik ben er zeker van dat hij de brand alleen en uit zichzelf heeft gesticht. Hij wilde de Duitsers mobiliseren tegen Hitler. Zo was-ie gewoon.”

Van der Lubbe stamt uit een doodarm gezin. Zijn vader was marskramer, zijn moeder een Brabantse boerendochter. Als Marinus op 13 januari 1909 als zevende kind van het gezin wordt geboren, is het winkeltje dat zijn ouders drijven in geëmailleerd goed en galanterieën vrijwel op de fles. In de eerste jaren van Marinus' leven gaat zijn vader er vandoor. Zijn moeder overlijdt als hij 12 jaar oud is. Marinus wordt leerling-metselaar. Zijn maats noemen hem al snel Dempsey, naar een wereldkampioen boksen, omdat hij zo sterk is.

Als hij 18 jaar is, slaat het noodlot toe. Op de bouw krijgt hij kalk in zijn ogen en hij wordt half blind. Als metselaar is hij voortaan ongeschikt. Zijn inkomen zakt van 25 gulden per week naar een invaliditeitsuitkering van 6 gulden en 44 cent. Marinus is al communist, maar na zijn ongeluk stort hij zich nog veel meer op de politiek. In het kamertje van vriend en student sterrenkunde Piet van Albada leert Marinus over Marx en Het Kapitaal, en al snel spreekt hij zaaltjes toe, leert hij kinderen via toneel het belang van staken en bestookt hij de Leidse bevolking met zelf gedrukte communistische lectuur.

Als hij in de conservenfabrieken van Leiden wat probeert te verdienen, blijft hij oproepen tot opstand, tot de politie hem afvoert. De politie heeft trouwens toch veel met hem te stellen. Marinus deinst er namelijk niet voor terug de ramen van het Maatschappelijk Hulpbetoon in te beuken, de voorloper van de Sociale Dienst, als die hem een extra uitkering weigert, geld dat Marinus wil gebruiken om een leeszaal te beginnen voor arbeiders.

Wanneer Marinus in het weekblad Het Leven leest dat er een beloning wordt uitgeloofd van 5.000 gulden voor degene die het eerst van Calais naar Dover zwemt, meldt hij zich onmiddellijk. Hij zwemt zo van Scheveningen naar Noordwijk, dus waarom dan ook niet over het Kanaal. Daarnaast gaat hij op wandeltocht naar China. Hij wil het ware communisme aanschouwen. Na drie maanden keert hij teleurgesteld terug. Hij was nog maar tot Joegoslavie gekomen en de lol was er af.

In 1933 vertrekt hij, 24 jaar oud, naar Berlijn. Hitler is net rijkskanselier en Marinus leest in de kranten over arbeidersverzet. Daar wil hij bij zijn. “In Berlijn bleek echter helemaal geen sprake van revolutie”, vertelt Schouten. “Dus dacht Marinus: Dan sticht ik brand in de Rijksdag.” Zo gebeurt.

Van der Lubbe laat zich arresteren en vertelt opgetogen aan de pers over zijn revolutieplannen. Maar er komt geen reactie. Wel grijpt Hitler onmiddellijk de brandstichting aan als excuus om duizenden communisten te arresteren. Volgens hem wilden ze, met Van der Lubbe als instrument, een staatsgreep plegen. Hitler grijpt definitief de macht en laat de wet veranderen, zodat Van der Lubbe ter dood kan worden veroordeeld. “Uit de archieven blijkt dat Marinus in het begin uitvoerig bleef vertellen hoe hij de brandstichting had aangepakt. Maar toen hij na een tijd in de gaten kreeg dat men niet naar hem luisterde en vast bleef houden aan de complottheorie, gaf hij op. Hij liet de schouders zakken en gaf geen antwoord meer. Ook niet op vragen van de rechter. Het zwijgen was zijn protest.”

Van der Lubbe wordt 10 januari 1934, net voor zijn vijfentwintigste verjaardag, met een valbijl onthoofd. “Het is verschrikkelijk tragisch”, vindt Schouten. “Marinus had de brand in een impuls gesticht. Zoals hij alles in een impuls deed. Hij dacht: ze zullen me een tijdje opsluiten. Dat is het me waard. En dan plotseling wordt hem een politiek complot in de schoenen geschoven.”

Schouten zegt: “Ik denk wel eens: het had een paar jaar later moeten gebeuren. Zijn daad is typisch iets van een jong, onbezonnen iemand. Als hij 27 was geweest, dan had hij misschien een meisje en had hij niet van die ondoordachte dingen gedaan. De geschiedenis zou dan heel anders zijn gelopen en hij zou het hebben overleefd.”