Een leerschool voor het leven

IJshockey is een snelle, agressieve en explosieve sport. Een vechtpartijtje hoort er bij. In Nederland weten ze er geen raad mee. Volgens Tonnie Collard (36), veelvoudig international en topscorer, begrijpen Nederlanders de essentie van ijshockey niet. Ze zouden net als hij in Canada moeten gaan kijken.

IJshockey is voor hem het leven. Het is een gevecht tegen de dood. Wie angst toelaat, is verloren. Wie niet het beste uit zichzelf haalt, heeft geen leven. Sterk, snel en slim zijn en niet bang voor het beest in de mens. Nooit bang zijn, altijd een man zijn. Weinig in het leven heeft Tonnie Collard meer kunnen boeien dan de sport waarin emoties als helse vuren oplaaien, waarin primaire reacties gewoon zijn en waarin hijzelf veelvuldig heeft kunnen scoren en excelleren als de meest talentvolle speler van alle Nederlandse tijden.

Collard, geboren in Utrecht maar opgegroeid in Canada, zou een voorbeeld moeten zijn voor jongens die zich aangetrokken voelen tot de sport waarin uitdelen en incasseren tot kunst is verheven. Zo snel en behendig als hij schaatste, zo zelfverzekerd als hij combineerde en soleerde en zo trefzeker als hij op doel schoot - dat deden weinigen hem na. Hij was 124 maal international, werd viermaal tot beste speler van een wereldkampioenschap uitgeroepen en was viermaal topscorer van een WK.

Nu is hij 36 jaar, staat hij in zijn ijssportwinkeltje op de Vechtsebanen in Utrecht en kijkt hij vandaar enerzijds uit op de ijsbaan en anderzijds op de ijshal waar zowaar jongens ijshockey spelen. Voor Collard is in Utrecht geen standbeeld opgericht. Vanachter zijn brilletje lacht hij verlegen en gevleid door het idee dat als huldeblijk voor zijn grote verdiensten een monument zou worden geplaatst.

In Utrecht hoef je dat niet te verwachten, weet hij. “Sommige mensen gaan zover mij er de schuld van te geven dat de club Utrecht dit seizoen uit de competitie is genomen. Volgens de bond speelde Utrecht te agressief. In de play-offs tegen Tilburg was het weer uit de hand gelopen en toen was de maat vol. Utrechters zeiden dat men in Tilburg nog niet vergeten was hoe ik me jaren geleden had misdragen.

“De Tilburgers zouden er op uit zijn geweest om Utrecht te provoceren. Ik zou de club een slechte naam hebben bezorgd. Ik was er die laatste wedstrijd bij en ik vond het verschrikkelijk wat ik op het ijs en op de tribunes zag, zo dom, en daar krijg ik de schuld van. Zo zijn ze in Utrecht en in Nederland. Altijd zoeken ze een zondebok. Iemand die met zijn kop boven het maaiveld uitsteekt, pakken ze aan.”

Zeuren en regeltjes, dit mag niet en dat mag ook niet; dat is de Nederlandse mentaliteit, vindt Collard. “Nederlanders zijn tolerant, zeggen ze. Maar in de sport willen Nederlanders de wereld vertellen hoe de regels moeten zijn.” Hij verwijst naar de overdreven aandacht die de media besteden aan agressief spel en aan een vechtpartij op het ijs.

“Het gaat nooit over het spelpeil, altijd over negatieve aspecten. De Nederlandse mentaliteit is niet geschikt voor topsport en helemaal niet voor ijshockey. Winnen ten koste van alles, hoort niet. Sport moet een spelletje blijven. Nederlanders zijn geen winnaars.” In Noord-Amerika heeft Collard een realistischer mentaliteit leren kennen. Als baby van een jaar emigreerde hij met zijn ouders van Utrecht naar Canada. Als kleuter stond hij in Canada al op ijshockeyschaatsen.

“Canadese vriendjes werd door hun ouders verteld dat ze de wereld alleen konden veroveren wanneer ze het nut van winnen leerden inzien. Incasseren en uitdelen. Laten zien dat je iemand bent. Kinderen worden voor de televisie gezet als er ijshockey was, hen werd verteld dat lichamelijk contact nodig was en dat vechten erbij hoorde. Laten zien dat je niet bang bent, handschoenen uit en vechten, dat is voor hen de ware ijshockeyer. Wie bang is om te vechten en zich laat intimideren is een klootzak. IJshockey is daar een leerschool voor het leven.”

Collard schudt het hoofd wanneer het Nederlandse ijshockey ter sprake komt. “Dat het niveau aanzienlijk is gedaald, is jammer. Dat heeft verschillende oorzaken, zoals gebrek aan belangstelling bij de jeugd, gebrek aan goede jeugdtrainers, gebrek aan goede spelers en sterren die een voorbeeldfunctie vervullen, gebrek aan ijshallen, gebrek aan positieve publiciteit waardoor sponsors afhaken, enzovoort.

“Het ergste is het niveau van de scheidsrechters. Mensen die zelf geen topijshockey hebben gespeeld, het spel niet aanvoelen en dus niet weten hoe ze agressief spel moeten beoordelen. Ze straffen te snel. Dat wekt irritatie, zo escaleert de agressie en ontstaan er vechtpartijen. Dat is ook een van de redenen waarom ik 1996 ben gestopt. Ik werd dat seizoen drie keer van het ijs gestuurd. Ik was het zat dat scheidsrechters mij zochten.”

Laatst was Collard in Montreal voor de ijshockeybeurs. En zoals altijd bij zijn jaarlijkse bezoek ging hij naar een wedstrijd van de Montreal Canadiens. “Fantastische sfeer, hard en snel ijshockey en af en toe een lekker vechtpartijtje. Niemand op de tribune die agressief wordt. Mensen genieten wanneer spelers elkaar te lijf gaan. Dat hoort bij de show. Na afloop gaat iedereen voldaan naar huis en geven de spelers elkaar een hand. Dat is hier onmogelijk. Wanneer op het ijs wordt gevochten, gaan ze op de tribune ook vechten. Nederlanders kunnen niet tegen agressie. Agressie hoort niet, het is iets van de duivel. Nederlanders kunnen er niet mee omgaan. Altijd is er ook een dominee in de buurt.”

Collard heeft niettemin gezien dat het ijshockey in Noord-Amerika minder gewelddadig is geworden. “Het spel is intensiever. Langer dan een minuut houdt een speler het op het ijs niet vol. Alles moet hij er in die minuut uitgooien en wordt dan gewisseld. Natuurlijk wordt er nog hard en gemeen gespeeld, gepookt en met schouders en heupen gewerkt. Dat hoort nu eenmaal bij het spel.”

Vroeger was ijshockey vooral een intimidatiespel, weet Collard. “IJshockeyers waren grote, sterke mannen die met lichamelijk geweld de tegenstanders intimideerden. Spelers werden geselecteerd op gewicht en lengte. Toen kwamen de Russen en de Tsjechen. Die lieten zich niet intimideren. Die konden snel schaatsen, hadden spelpatronen ingestudeerd en raakten niet onder de indruk van een paar stevige bodychecks. Tegenwoordig dwing je als ijshockeyer respect als je kunt incasseren en niet impulsief reageert op een check.”

Vorige maand volgde hij het olympische ijshockeytoernooi op de televisie. Hij was onder de indruk van het spelpeil. Zo snel en fysiek, maar ook zo hard en gemeen. “Maar de scheidsrechters lieten veel toe. En niemand die er over klaagde. Dat de Canadezen slechts vierde werden was het gevolg van hun ouderwetse speelstijl: puck in het aanvalsvak en dan met veel lichamelijk geweld er achteraan.

“De Canadezen en Amerikanen hadden moeite met de olympische regels. De baan was breder dan in de NHL (de Noord-Amerikaanse profliga), wat de kans op lichamelijk contact minder groot maakt. En er mocht niet worden gevochten. In tegenstelling tot in de NHL werd een speler die vocht of zijn handschoenen uitdeed, meteen gestraft. Dat vonden Amerikanen en Canadezen niet leuk.”

Collard genoot van spelers als de Rus Pavel Boere en de Tsjech Jaromir Jagr, spelers die fantastisch kunnen schaatsen en geen geweld en intimidatie nodig hebben om te kunnen excelleren. Een beetje aandoenlijk vond hij het spel van de Canadees Wayne Gretzky, de beste speler aller tijden genoemd. “Hij is 37 jaar, te oud voor het huidige niveau. De snelheid lag hem te hoog. Hij was er alleen voor de status. Het falen van Gretzky was jammer, want zoals hij ijshockey heeft gespeeld dat was heel bijzonder. Ik heb hem nooit zien vechten, nooit zware checks zien uitdelen en toch scoorde hij ontzettend veel.”

Eén keer speelde Collard tegen Gretzky. Hij was twaalf jaar en moest met zijn club de Don Valley Toro's in Quebec tegen Brantford, de club van Gretzky. “Toen waren er al tv-camera's voor Gretzky, want toen al gold hij als een groot talent. Van jongs af viel hij op door zijn extreme spelinzicht en zijn fantastische techniek. Wij wonnen trouwens wel met 3-1. Gretzky heeft respect afgedwongen door zijn vreedzame manier van spelen. Aan de andere kant waren er in zijn team altijd spelers die hem beschermden. Wie aan Gretzky zat, kreeg te maken met zogenoemde goons of policemen, slechte spelers die alleen werden ingezet om lastige tegenstanders een kopje kleiner te maken.”

In de jaren zeventig keerde Collard met zijn familie terug naar Nederland. Hier kon hij laten zien wat hij in Canada geleerd had. Hij was pas vijftien jaar toen hij al met het Nederlands team naar het wereldkampioenschap in Japan ging. Maar lang duurde zijn avontuur in Nederland niet. Een jaar later werd Collard voor een jaar geschorst wegens kicking; hij had met zijn schaats een tegenstander geschopt. Een onbezonnen daad.

Maar zijn loopbaan moest doorgaan. Dus vertrok hij naar Canada. Daar mocht hij na een proeftrainingskamp voor de London Knights spelen. “Er waren 60 spelers, maar in het team was slechts plaats voor 25 jongens. Op de voorlaatste dag zei de coach: 'Morgen is de laatste dag, dan is het voor iedereen de laatste kans. Jij bent een goede speler, maar de Canadese jongens zullen jou als Europeaan aanpakken, ze dagen je uit om te vechten. Dus trek ook je handschoenen uit en laat zien dat je niet bang bent.' Ik greep mijn kans en liet zien wie ik was, ik scoorde en ik durfde te vechten. En ik werd geselecteerd.

“Ik had wel langer in Canada willen blijven en in de NHL willen spelen. Maar daarvoor was ik toch te klein en te licht. Ik ging terug naar Nederland, naar Heerenveen, het beste team dat Nederland heeft gekend, tussen Nederlandse Canadezen als Van Wieren, De Heer, Koopmans. Van Wieren zei: 'Canada heeft je goed gedaan. Je bent sterker geworden, je bent nu een man, je kunt incasseren.”

Collard schudt weer eens zijn hoofd. Hij wordt emotioneel, zelfs boos. “Ik kon me als speler ook niet inhouden, zeggen de mensen nu. Ik sloeg er ook wel eens op los. Leuk he. Wat heb ik niet bereikt met ijshockey? Alleen het negatieve onthouden ze in Nederland. Dat is de Nederlandse cultuur.” Terwijl Collard zoekt naar woorden om zijn onbegrip uit te drukken, loopt een jongen van pakweg veertien jaar met een ijshockeystick door de winkel. Hij wil de stick kopen. Collard glundert en denkt terug aan de tijd waarin hij de NHL had willen veroveren. “IJshockey zal altijd mijn leven blijven bepalen”, zegt hij met zachte stem. “Dat kunnen weinig mensen begrijpen in Nederland.”