Duizelingwekkende bodemkunde

History of Soil Science. International Perspectives. Onder redactie van D.H. Yaalon and S. Berkowicz. Catena Verlag, Reisklichen. 438 blz, 1997. Hardback. ISBN 1-923381-40-9. Prijs ƒ 355,-

HET ZIJN VOORAL gepensioneerde bodemkundigen die zich bezighouden met de geschiedschrijving over hun vakgebied. De nog werkende vakgenoten, 50.000 in aantal, hebben hier geen tijd voor. Dat valt wel enigszins te begrijpen. De bodemkunde is een relatief nieuwe wetenschap waar de afgelopen eeuw duizelingwekkende ontwikkelingen in hebben plaatsgevonden. Jaarlijks verschijnen er zo'n vijfduizend publicaties.

Van de 27 auteurs die bijgedragen hebben aan History of Soil Science is een aanzienlijk deel met emeritaat. Het zijn auteurs van over de hele wereld. Het nu verschenen boek is het derde over de geschiedenis van de bodemkunde. Het eerste was van de Rus I.A. Kroepenikov uit 1971. Het bevat weliswaar veel interessante informatie over bodemkundige ontwikkelingen in Rusland, maar veel Westerse bodemkundigen zagen het destijds als een soort 'Koude-Oorlogsdocument', aangezien de Russische visie op de bodemkunde meestal superieur geacht werd aan die van Amerika en andere landen. Dan is er nog een boek van J. Boulain uit 1989, maar doordat het in het Frans geschreven is heeft het weinig bekendheid gekregen in de Angelsaksische wereld die de bodemkunde domineert.

De eerste landbouw stamt van zo'n tienduizend jaar geleden. De mens gaf toen zijn nomadisch bestaan op en ging het land bewerken. Waarschijnlijk gebeurde dit het eerst op de grote alluviale vlaktes in de semi-aride gebieden waar men met simpele irrigatiesystemen voedselgewassen ging verbouwen. In andere delen van de wereld werden bossen gekapt voor het verbouwen van granen en ook werd in die tijd de ploeg uitgevonden.

LANBOUWCHEMIE

In de tijd van de Grieken en de Romeinen verschenen er verscheidene landbouwkundige boeken en handleidingen. Die dienden als belangrijke leidraad voor de werken die in de zeventiende en achttiende eeuw werden gepubliceerd. In het midden van de negentiende eeuw ontstond er wetenschappelijke belangstelling voor de bodem. Er waren onderzoekers die vooral de fysische en chemische eigenschappen van de grond bestudeerden en hieruit ontstond de landbouwchemie als discipline. De Duitse chemicus Justus von Liebig (1803-1873) van wie in l997 een biografie verscheen, is hiervan een voorbeeld. Anderen hadden meer belangstelling voor het ontstaan en het in kaart brengen van bodems. Deze discipline heette aanvankelijk agro-geologie, maar kreeg later de term pedologie.

Vooruitgang is in het verleden dikwijls tegengehouden door wat je 'vasthouden aan nationale denkbeelden' zou kunnen noemen. Zo vonden de negentiende-eeuwse idealen van de Rus V.V. Dokoetsjaev (1846-1903) pas in de jaren twintig en dertig van deze eeuw ingang in Amerika en Europa. Tot die tijd leefde men in Amerika met het idee dat de bodem hoofdzakelijk het verweringsproduct van gesteentes was. Dokoetsjaev had echter in 1883 al beweerd dat de bodem zoals die in het veld wordt aangetroffen niet alleen afhankelijk is van het moedergesteente, maar ook van factoren als klimaat, vegetatie, reliëf en tijd. Maar zijn ideeën, in het Russisch gepubliceerd, werden buiten Rusland verspreid noch geaccepteerd. Inmiddels lijkt de situatie omgekeerd. Onder invloed van de totalitaire ideologie in de voormalige Sovjet-Unie en andere communistische landen is bodemkundig onderzoek aan strenge richtlijnen onderworpen. Contact met Westerse onderzoekstations en universiteiten werd gezien als ongewenst. Het heeft de bodemkunde in die landen in een vreselijke 'backward position' gebracht, zoals een der Tsjechische auteurs het samenvat in het nu gepubliceerde verzamelwerk.

Vooruitgang in de bodemkunde volgde, met enige achterstand, die in wetenschappen als scheikunde, natuurkunde en menskunde. Een recent voorbeeld is het gebruik van nuclear magnetic resonance (NMR), die zo'n 50 jaar geleden in fysische laboratoria opgang maakte. Met NMR is het mogelijk op non-destructieve wijze de chemische structuur van stoffen zoals humus te analyseren. Het wordt pas sinds een jaar of twintig in de grondanalyse gebruikt en langzaam maar zeker vervangt NMR andere analysetechnieken zoals infrarode spectroscopie. De bodemkunde heeft ook geprofiteerd van ontwikkelingen in de mijnbouw zoals de geo-statistische analyse. Hiermee kan bijvoorbeeld de ruimtelijke verdeling van bodemtypes gekarakteriseerd worden en deze techniek werd voor het eerst in de jaren zeventig en tachtig in de bodemkunde toegepast.

ANTAGONISMES

In de laatste hoofdstukken van het boek staat een aantal biografieën van bodemkundigen. Een van de meest boeiende is die van de Amerikaan Selman A. Waksman (1888-1973) die in 1952 als enige bodemkundige ooit een Nobelprijs heeft ontvangen. Dat was voor zijn onderzoek aan microbiële antagonismes, of zoals hij ze later noemde: antibiotica. Zo ontdekte Waksman in 1943 onder andere streptomycine waarmee de toen nog volop heersende ziekte tbc kon worden bestreden. Van de royalties die het patent op streptomycine gaven, heeft hij diverse instituten voor microbiologie opgezet en gefinancierd.

De Wageningse emeritus hoogleraar G.H. Bolt heeft als enige Nederlander een bijdrage geschreven voor het boek. Bolt beschrijft de lange weg die de meting van de zuurgraad in de grond heeft afgelegd, waarbij in het begin onder anderen de Leidse hoogleraar J.M. van Bemmelen een belangrijke rol heeft gespeeld. Verder staan er in het boek interessante bodemkundige ontwikkelingen in diverse landen beschreven, hoewel er over Nederland bijzonder weinig in staat.

Over de geschiedenis van de Nederlandse bodemkunde is überhaupt niet veel geschreven. Er bestaan wel enige historische werken zoals de geschiedenis van de Nederlandse bodemkartering en het Instituut voor Bodemvruchtbaarheid in Haren. Ook heeft de bodemkundige pionier Winand C.H. Staring (zoon van de dichter) een biografie, en van enkele anderen, onder wie C.H. Edelman en A.C Schuffelen, is bij hun dood of pensionering een beknopte biografie verschenen.