Drama over hartstocht en geloof

Voorstelling: Judith naar Friedrich Hebbel door Nes-producties. Bewerking en regie: Anny van Hoof. Toneelbeeld: Jan van Hoof. Spel: Tamar van den Dop, Gustav Borreman, Alice Reys, Xander Straat, Turan Furat. Gezien: 12/3 Frascati Amsterdam. Aldaar t/m 19/3, tournee 27/3 t/m 29/4. Inl. (020) 626 68 66.

Judith heeft een heilige missie. God heeft haar opgedragen naar het kamp van de vijand te gaan en de belegeraar van haar volk te doden. Maar oog in oog met de vijandelijke legeraanvoerder Holofernes is zij als betoverd door zijn aanblik. Ook hij, die gezworen heeft Judiths volk, de Hebreeërs, te vernietigen, lijkt even al zijn voornemens te vergeten als hij haar ziet.

In Judith, het eerste toneelstuk van Friedrich Hebbel (1813-1863), is het oud-testamentische verhaal van de jonge mooie weduwe Judith die zich onderwerpt aan Gods wil, herleid tot een drama waarin passie en hartstocht zeker zo'n belangrijke rol spelen als Judiths godvrezendheid. Ze is niet langer alleen Zijn werktuig, ze handelt ook uit trots. Mannen die haar hun liefde verklaren wijst ze resoluut af, lafheid veracht ze; ze is hard voor anderen maar ook voor zichzelf.

In het kamp van Holofernes vraagt ze hem toestemming zich vijf dagen terug te mogen trekken in de bergen. Als ze bij hem terugkeert, deelt ze zijn gezelschap maar weet niet wat te doen. Uiteindelijk ziet ze kans hem in zijn slaap met zijn eigen zwaard het hoofd af te hakken - dat gebeurt net uit het zicht, de straaltjes bloed die langs een pilaar naar beneden sijpelen geven aan dat de klap raak was. Als ze kort daarna het hoofd in een zak draagt voelt ze geen triomf, eerder twijfel aan de juistheid van haar daad.

In de voorstelling van Anny van Hoof is Tamar van den Dop als de mooie Judith de spil om wie het verhaal draait. Ze is vurig en bezeten, maar ook meisjesachtig, soms op het kinderlijke af. Tamar van den Dop toont haar als een irrationeel wezen met impulsief en onstuimig gedrag. Ze werpt zich tussen Holofernes en haar volk en kruipt, zich op de borst slaand ten teken van rouw en smart, naar hem toe. Even later zit ze bij hem op schoot, zeggend dat ze haar God goed wil dienen.

Tamar van den Dop laat de tegenstrijdigheden in Judiths gedrag overtuigend zien en haar rol is ook meteen de sterkste troef van deze voorstelling. Gustav Borreman als Holofernes is veel minder geloofwaardig. Hij is meer een jonge wilde hond dan een vreeswekkend krijgsheer. Het is tamelijk lachwekkend hoe hij, in zijn jasje met tressen en medailles, springend als een opgewonden veer zijn entree maakt. Deze Holofernes bruist van energie en overmoed - als hij denkt Judith in zijn macht te hebben danst hij uitgelaten op snoeiharde muziek en klimt als een aap in een touw dat plotseling uit de lucht is komen vallen.

Het gekke is dat de regie over het algemeen heel terughoudend is waardoor dit soort scènes verdwaald lijken. Zo wordt er af en toe gezongen in het Hebreeuws en dat past niet altijd even vanzelfsprekend in de enscenering waarin soberheid overheerst. Het stuk heeft veel personages maar er zijn slechts vijf spelers, wat een aantal kleine dubbelrollen oplevert. Die zijn adequaat en dat geldt ook voor het toneelbeeld van Jan van Hoof - een langgerekt podium met een mozaïekachtige tegelvloer en twee canapés ter versiering - dat evenals de kleding is uitgevoerd in lichte tinten: wit, grijs, zachtgeel, goud.

De helderheid van de vormgeving contrasteert met de wollige taal van Hebbel - Anny van Hoof heeft gezocht naar de wrijving tussen cultuur en ongetemde passie en het lijkt of ze ook op dit punt een poging heeft gedaan. Dat is een mooie gedachte maar helaas blijft de uitwerking toch wat schetsmatig.