De onmogelijke missie van een gemangeld UNSCOM; De gevoelige plekken van Saddam

Zeven jaar al verzet Irak zich met alle middelen tegen UNSCOM. Deze stille oorlog leidde vorige maand bijna tot een Amerikaans- Britse militaire actie. Terwijl Saddam zijn massavernietigingswapens steeds beter probeert te verstoppen, gedraagt de Speciale Ontwapeningscommissie van de VN zich als een geheime dienst. Zoeken naar harddisks, gevluchte overlopers en 'verdachte spullen'.

De Iraakse president Saddam Hussein kan, als hij dat wil, een warme en zeer charmante persoonlijkheid zijn. Dat liet hij drie weken geleden zien, toen hij Kofi Annan, de secretaris-generaal van de VN in zijn paleis in Bagdad ontving. Drie uur duurde het gesprek onder het genot van glaasjes sinaasappelsap en zes Havana-sigaren. Uiteindelijk gaf Saddam alsnog zijn fiat aan het door Annan voorgestelde akkoord om UNSCOM, de Speciale Ontwapeningscommissie van de VN, vrije, ongehinderde en niet aan een tijdslimiet gebonden toegang te verlenen tot de tot dusver voor UNSCOM verboden “presidentiële plaatsen”. Daarmee werd op het allerlaatste moment een dreigende Amerikaans-Britse militaire actie tegen Irak voorkomen.

Een van Annans metgezellen was zijn speciale afgevaardigde, Lakhdar Brahimi, een voormalige en zeer door de wol geverfde minister van Buitenlandse Zaken van Algerije. Brahimi, die al in het verleden Saddam had ontmoet, wist onmiddellijk dat de onderhandelingen goed zouden verlopen toen Saddam het verhaal vertelde van twee innig met elkaar bevriende mannen, een Algerijn en een Irakees:

Op een dag zei de Irakees tot de Algerijn: “Het is duidelijk dat onze dadels veel beter zijn dan die van jullie.” Waarop de Algerijn woedend werd, een mes trok en riep: “Zeg dat nog eens!” De Irakees bedacht zich onmiddellijk en zei: “Mijn excuses als ik je voor het hoofd heb gestoten. Je hebt gelijk, de Algerijnse dadels zijn beter. Maar geloof niet dat ik door jouw mes van mening ben veranderd. Ik was bang je vriendschap te verliezen.”

Die grap, door Brahimi aan het weekblad Jeune Afrique verteld, liet zien dat Saddam bereid was zich opnieuw door de VN te laten aanlijnen. Hij barstte in lachen uit toen Brahimi opmerkte: “Ik moet u iets zeggen, meneer de president. Mijn landgenoot had gelijk: de Algerijnse dadels zijn veel beter.” Diezelfde avond stuurde Saddam hem dadels. Dat stelde Brahimi in de gelegenheid aan vice-premier Tareq Aziz de boodschap voor Saddam mee te geven: “Zeg hem dat ik mij overgeef: de Iraakse dadels zijn beter dan die van ons.”

Waarmee Brahimi aantoonde te beseffen hoe relatief en tijdelijk uit- en afspraken kunnen zijn. Maar voorlopig was de koude vrede tussen de VN en Irak gered. De dadels werden overigens bij terugkeer van het VN-gezelschap in New York door de Amerikaanse douane in beslag genomen om onderzocht te worden op eventuele plantaardige ziektes.

Saddam liet het niet merken. Maar hij had de grootste moeite Annans voorstel te slikken. In 'zijn' Irak waren vele jaren lang stadsgidsen, ja zelfs het weerbericht staatsgeheim. En nog steeds mogen gewone burgers niet zonder overheidsvergunning schrijfmachines hebben, of over kopieermachines beschikken. Want een leider, die zich met moord en terreur in een zeer vijandige omgeving staande moet houden, probeert zo veel mogelijk zaken in het duister te houden.

Daarom was UNSCOM een van de grootste rampen die Saddam kon overkomen. Deze organisatie heeft niet alleen het recht, maar ook de plicht alle massavernietigingswapens in Irak op te sporen en te vernietigen, en erop toe te zien dat dit land deze in de toekomst niet opnieuw produceert. Aldus bepaalde de Veiligheidsraad van de VN in april 1991, nadat het Iraakse leger in de Tweede Golfoorlog uit Koeweit was verdreven. Men dacht die opdracht in maximaal een half jaar te hebben voltooid. Saddam had zich immers verplicht volledige opening van zaken te geven over de opslag en de fabricage van al zijn vernietigingswapens.

Geheime dienst

Aanvankelijk leek dat ook wel te lukken. Irak beschikte over chemische wapens, die het in de oorlog tegen Iran op grote schaal had gebruikt en die voor een belangrijk deel uit het Westen waren geïmporteerd. Daarvan was aan de VN uitvoerig verslag uitgebracht. Het was dan ook niet zo moeilijk voor UNSCOM de bestaande voorraad chemische wapens en bijna alle door de Sovjet-Unie geleverde lange-afstandsraketten (de Scuds) op te sporen en te vernietigen. Weliswaar begrepen veel Iraakse militaire commandanten niet waarom die kostelijke wapens nu vernietigd moesten worden. Ze vroegen de UNSCOM-deskundigen herhaaldelijk: “Waarom willen jullie dat zo graag? Wij hebben daarmee toch ook jullie tegen Iran verdedigd?” Maar het bleef bij gepruttel.

Heel anders was het gesteld met de nieuwe generatie chemische wapens, die Saddam ná de oorlog tegen Iran in het geheim liet aanmaken, samen met zijn nucleaire en biologische wapens, waarvan hij het bestaan ontkende, en een aantal verstopte lange-afstandsraketten. Aangezien UNSCOM aan de lopende band werd voorgelogen en voortdurend in haar bewegingsvrijheid werd gehinderd, bleef de organisatie niets anders over dan zélf overal in Irak rond te neuzen. Dat betekende oorlog tussen de Iraakse overheid en UNSCOM - aanvankelijk in het geniep, later steeds openlijker gevoerd.

In die oorlog ging UNSCOM steeds meer over op detective- en geheimedienstwerk. Irak saboteerde op alle mogelijke manieren de opsporing van de verboden wapens en hun faciliteiten. Dus moest UNSCOM op indirecte manier achter hun bestaan komen. Door Iraakse functionarissen en gevluchte overlopers te ondervragen. Door in overheidsgebouwen te zoeken naar documenten en harddisks over de import en fabricage van verdachte spullen. Door discreet Westerse regeringen op de hoogte te stellen van bepaalde leveranties op wapengebied aan Irak door ondernemingen onder hun vlag - in de hoop dat die regeringen via druk op de betreffende bedrijven meer informatie zouden verschaffen. Door via luchtverkenning na te gaan waarheen Iraakse vrachtauto's zich spoedden, als zij vlak vóór de komst van de UNSCOM-inspecteurs bepaalde installaties hadden bezocht.

Uit de combinatie van al die gegevens blijkt dat Irak geen afstand heeft gedaan van zijn massavernietigingswapens en de productie ervan. Daardoor kan de Veiligheidsraad van de VN niet zijn eigen dwingend opgelegde besluit over de economische sancties tegen Irak ongedaan maken. Voor Saddam betekent dat een langzame verstikking op economisch, en daarmee op politiek gebied, waartegen hij zich - alleen al om zélf te overleven - op alle mogelijke manieren verzet.

De achterliggende gedachte bij de gedeeltelijke ontwapening van Irak was dat Saddam voor iedereen in de regio levensgevaarlijk was, maar zijn aanblijven in gekooide toestand verkieslijker dan de chaos ná zijn verdwijnen. Want dan zou Irak misschien uiteen vallen en zouden de buren elkaar in de haren vliegen om zich meester te maken van de zo rijke en door iedereen begeerde boedel - de olievelden. Daarom zijn de Arabische en de niet-Arabische buren van Irak het eens met alle belangrijke mogendheden in de wereld dat Saddam even vreselijk als nuttig is: een goede waakhond in Irak en eventueel te gebruiken tegen Iran. Maar wél een waakhond die strak aan de lijn moet worden gehouden. Als hij te vaak losbreekt, moet hij worden afgemaakt.

Verslaving

Zeven jaar geleden gingen de Verenigde Naties ervan uit dat de combinatie van olie-embargo en UNSCOM-inspecties het meest probate middel was om Saddam in bedwang te houden. Want daarmee maakten ze van de onafhankelijke staat Irak een onuitgesproken mandaatgebied met een zéér beperkte soevereiniteit. Binnen de VN, en zeker binnen UNSCOM, dacht men dat deze situatie zó ondraaglijk zou zijn voor Saddam, dat hij UNSCOM de grootst mogelijke medewerking zou geven om snel verlost te raken van de status van mogendheid zonder eigen handelingsbekwaamheid op vrijwel alle gebieden.

Maar precies het omgekeerde gebeurde. Saddam, die al in zijn vroege jaren met thallium en zoutzuur zijn vrienden en vijanden om het leven placht te brengen, was zó gehecht geraakt aan zijn massavernietigingswapens, dat hij er geen afstand van kon doen. Die verslaving heeft Irak de afgelopen zeven jaar aan gederfde olie-inkomsten zo'n 100 miljard dollar gekost - ofwel 100.000 dozen met elk één miljoen dollar. De buitenlandse schuld is intussen opgelopen tot 200 miljard dollar, exclusief de herstelbetalingen die Iran nog steeds van Irak eist. En in Bagdad is de werkloosheid nu zo'n 90 procent.

Aan wie was die steeds rampzaliger situatie volgens de Iraakse autoriteiten te wijten? Aan de rapporteurs van UNSCOM - Rolf Ekeus en zijn opvolger, Richard Butler, die “leugens” verkondigden over de Iraakse bewapening. Steeds vaker, steeds openlijker werd UNSCOM door de Iraakse autoriteiten en media tot “de vijand” bestempeld. Een vijand die op alle mogelijke manieren werd bestreden. Met list, bedrog, leugens en, indien noodzakelijk, met fysieke intimidatie.

Als de UNSCOM-inspecteurs verboden en geheimgehouden wapens of de gegevens daarover op het spoor waren, werden zij tegengehouden, soms ook met vuurwapens direct bedreigd. Er werden zelfs raketten op hun bureau in Bagdad afgeschoten; eerst door “een Iraanse provocateur”, later door “een gestoorde man, die geen medische hulp in het ziekenhuis had kunnen krijgen”. En als de inspecteurs navraag deden over de verboden wapens, die aantoonbaar ergens verborgen moesten zijn, kregen ze uitsluitend verzinsels te horen. Zij worden nog steeds onafgebroken bespioneerd en moeten voortdurend op hun hoede zijn.

In december dachten zij eindelijk de Grote Prijs binnen te slepen. Ze gingen onverwachts naar een gebouw, waar volgens hun informatie het programma van Iraks massavernietigingswapens in een computer was opgeslagen. Maar ze moesten bij de deur twintig minuten wachten. Intussen zagen ze dat de harddisks in de computer werden verwisseld. Toen ze uiteindelijk bij de computer werden toegelaten, bleek die alleen nog computerspelletjes te bevatten.

Geen wonder dat deze VN-inspecteurs in de loop der tijd steeds meer het gevoel kregen met een zeer doortrapte vijand te maken te hebben. Zij zijn over het algemeen mensen met een militaire achtergrond, die een opdracht moeten uitvoeren. Nu weten zij dat het land, dat zij aanvankelijk met die opdracht dachten te helpen, oorlog tegen hen voert. Zij bevinden zich kortom in vijandelijk gebied. Hun enige daadwerkelijke helpers die hen van de nodige informatie voorzien, zijn Westerse inlichtingendiensten, zoals de CIA, en Saddams binnenlandse vijanden. Daarom ziet Saddam UNSCOM puur en alleen als een verlengstuk van de VS.

Maar Saddam voert niet alleen oorlog tegen het ontwapeningsregime dat hem is opgelegd. Hij wil ook af van de economische sancties, die in augustus 1990 door de Veiligheidsraad van de VN werden uitgevaardigd, als straf voor zijn roofoverval op het buurland Koeweit. Om aan die sancties een einde te maken gebruikt hij het lijden van de Iraakse burgerbevolking. Dus rekte hij eindeloos het door de Veiligheidsraad voorgestelde 'voedsel-voor-olie-akkoord', omdat dat “een inbreuk op de Iraakse soevereiniteit” zou zijn. De door de overheid verstrekte voedselrantsoenen slonken en de algemene ziekenhuizen kregen steeds minder medicijnen toebedeeld.

Tegelijkertijd werden kosten noch moeite gespaard voor het groeiende aantal 'presidentiële plaatsen'. Daarvoor werden, behalve architecten uit Frankrijk en gesmokkeld marmer uit Italië, ook grote hoeveelheden albast uit in Koeweit geplunderde huizen aangevoerd. Al die pronk en superkitsch kostte naar schatting drie miljard gulden. Buitenlandse bezoekers die zich verbaasd tonen, krijgen als uitleg dat deze zwaar bewaakte, door hoge muren afgeschermde super-de-luxeplaatsen “eigendom zijn van het Iraakse volk” en “symbolen van de Iraakse soevereiniteit”.

Daarom ligt nu aan bijna elk meer in Irak zo'n presidentieel verblijf. En als er geen meer was, liet Saddam er een aanleggen. De boeren in de streek Abu Ghraib, ten zuiden van Bagdad, raakten hun watervoorziening kwijt, omdat de daar stromende rivier geheel aangewend diende te worden voor een kunstmatig meer, waar het Qaddisiya-paleis werd gebouwd. En ter ere van zijn geboortedorp Al-Oujjeh, waarop de bewoners van de aangrenzende stad Takrit neerkijken, werd daar eveneens een fantastische residentie neergezet, eveneens aan een meer.

Naast al die kostbare buitenverblijven, omringd door vele tientallen gebouwen ten behoeve van Saddams Speciale Gardisten, wordt in Bagdad nu ook de Saddam-moskee gebouwd, een van de grootste moskeeën ter wereld. Daar kunnen over enige tijd de burgers God prijzen en om hun doden rouwen.

Bunny-Huggers

Het past allemaal in het Saddamistische systeem, dat de almaar groeiende kindersterfte als een zegen Gods ziet. De artsen in de staatsziekenhuizen moeten hulpeloos toezien hoe hun patiënten creperen. Zij zijn Saddams beste propagandisten, zelfs als zij hem haten. Zij kunnen immers aan de bezoekende journalisten en tv-ploegen, allemaal onder begeleiding en toezicht van een meeluisterende overheidsambtenaar, niet vertellen dat zij opdracht hebben de kinderlijkjes in de vrieskamers te bewaren, zodat deze gebruikt kunnen worden voor collectieve begrafenissen, georganiseerd door de overheid. Die worden dan weer door de buitenlandse bezoekers gefilmd. Waarmee opnieuw wordt aangetoond dat “de Verenigde Naties, die onder heerschappij staan van de Verenigde Staten, welbewuste genocide plegen op het Iraakse volk”.

Sommige ziekenhuizen in Bagdad, zoals het Saddam Cardiologie Ziekenhuis, zijn echter strikt verboden voor de buitenlandse journalisten. Daar wordt namelijk de elite van het regime verpleegd en onderging vorig jaar een geëerde figuur uit de Ba'ath-partij zelfs een openhartoperatie. Daar is absoluut geen gebrek aan injectienaalden, medicijnen en medische hulpmiddelen.

De daadwerkelijke nood van de burgerbevolking wordt ten dele gelenigd door hulpverleners van de VN, die sinds een jaar in steeds groteren getale naar Irak komen om toe te zien op de verdeling van voedsel en medicijnen. Zij hebben met gewone Irakezen te maken, die het heel erg moeilijk hebben en die zij proberen te helpen. Hun visie op het land waar zij werken is dus een heel andere dan die van de UNSCOM-inspecteurs, die dagelijks de meest ongure types op hun weg vinden.

In de lobby van Hotel Canal in Bagdad, waar beide groepen zijn ondergebracht, is duidelijk te merken dat ze elkaar niet kunnen luchten of zien. De UNSCOM-mannen beschouwen de hulpverleners als geitenwollensokkenfiguren, en maken hen uit voor Bunny-Huggers, konijnenminnaars, die niet alleen voor de SIP's zorgen, de Suffering Iraqi People, maar ook nog eens klakkeloos de virulente anti-UNSCOM-propaganda herhalen van de Iraakse overheid.

De hulpverleners vertellen op hun beurt aan bezoekende Westerse journalisten dat de UNSCOM-mannen Cowboys zijn, die geen greintje respect opbrengen voor de Irakezen en hen alleen maar vernederen. De Cowboys lopen immers rond in T-shirt, jeans en met een baseballpet op, terwijl zijzelf keurig een das omstrikken. De Bunny-Huggers hebben er evenmin begrip voor dat de Cowboys 's avonds pijltjes afschieten op een bankbiljet van 250 dinar, waarop het gezicht van Saddam Hussein is afgebeeld. En ze vinden het helemaal smakeloos dat één van de Cowboys op een dag verscheen met een T-shirt, waarop een overreden konijn was geschilderd met de sporen van de autoband over hem heen en daaronder de tekst: “Bunny-Huggers Just Say No.”

De animositeit tussen Cowboys en Bunny-Huggers, beiden in dienst van de VN, lijkt op de problemen binnen de Veiligheidsraad tussen enerzijds de VS en Groot-Brittannië, die UNSCOM tegen de Iraakse aanvallen proberen te beschermen, en anderzijds Rusland, Frankrijk en China, die UNSCOM het zwijgen proberen op te leggen en steeds harder en nadrukkelijker eisen dat er voor Irak “licht aan het eind van de tunnel komt”. Daarmee bedoelen zij dat er snel een eind aan de economische sancties moet komen om de weg vrij te maken voor profijtelijke contracten met Irak. Hun argumenten krijgen steeds meer aanhang. Zelfs gerenommeerde Franse kranten stellen nu dat Saddams geheime wapenarsenaal niet zo vreselijk veel voorstelt en dat men een volk van twintig miljoen mensen niet eindeloos kan laten verpauperen, zonder dat dit in de toekomst tot ernstige wraakgevoelens leidt.

Op grond van zeven jaar ervaringen komt UNSCOM, wat de Iraakse bewapening betreft, tot totaal andere conclusies - volledig onderschreven door een groep internationale deskundigen, die op speciaal verzoek van Irak vorige maand de bevindingen van UNSCOM 'technisch evalueerde'.

De UNSCOM-inspecteurs wisten dat Saddams schoonzoon, Hussein Kamel, vlak voor het begin van de Tweede Golfoorlog in januari 1991, met een grootscheeps biologisch wapenprogramma was begonnen. Maar zij wisten niet waar de meer dan honderdvijftig bommen en raketkoppen, geladen met chemische en biologische wapens, zich bevonden. Zij hadden talloze aanwijzingen dat die wapens niet eenzijdig waren vernietigd, zoals de Irakezen beweerden. En zij zijn er nog steeds naar op zoek.

Al drie jaar geleden - op 19 juli 1995 - stelde de Iraakse minister van Buitenlandse Zaken, Mohammed Saïd al-Sahhaf, op last van zijn baas, president Saddam Hussein, de Verenigde Naties een ultimatum. UNSCOM moest, aldus al-Sahhaf, haar werkzaamheden vóór eind augustus afronden met een rapport aan de Veiligheidsraad, waarin Irak 'schoon' van alle massavernietigingswapens werd verklaard, zodat de Raad het olie-embargo tegen Irak kon opheffen. Gebeurde dat niet, dan zou Irak alle samenwerking met UNSCOM beëindigen. Een paar dagen eerder had president Saddam Hussein al bekendgemaakt dat zijn land niet verder met de VN zou samenwerken, als daar geen verlichting van de economische sancties tegenover stond.

Saddam kon zijn dreigementen niet uitvoeren. Want zijn oudste schoonzoon, Hussein Kamel, aan wie hij de leiding van Iraks opbouw van geheime wapens had toevertrouwd, vluchtte op 8 augustus naar Jordanië, samen met zijn broer en hun echtgenotes, de twee oudste dochters van de president. Zij waren bang door hun psychopathische neef en zwager, Uday Saddam, de oudste zoon van de president, te worden vermoord - niet op grond van politieke meningsverschillen, maar omdat zij zich meester hadden gemaakt van een te groot deel van de smokkelhandel en andere illegale inkomsten, waarmee de clan van Saddam zich verrijkte.

Hussein Kamel, met vele miljoenen dollars in koffers naar Jordanië ontsnapt, wist veel te veel. En niemand kon voorspellen welke onthullingen hij zou doen. Dus besloot een in paniek geraakte Saddam iets meer openheid van zaken te geven. Rolf Ekeus, de toenmalige voorzitter van UNSCOM, werd dringend verzocht onmiddellijk te komen. Hij werd naar een kippenboerderij gebracht - “eigendom van Hussein Kamel, mister Ekeus” - die volgeladen lag met kisten documenten: meer dan een miljoen. Ze waren “net gevonden”. Een deel van de aldaar opgeslagen documenten bleek razendsnel door de Irakezen te zijn weggehaald. Maar uit de nog aanwezige documenten kwam naar voren dat Irak na het einde van de Eerste Golfoorlog tegen Iran een grootscheeps nucleair, chemisch en biologisch bewapeningsprogramma had opgezet. Tareq Aziz, de Iraakse vice-premier, legde Ekeus uit dat “de verrader Hussein Kamel op eigen houtje en tegen de wil van de leiding de bewapening van Irak had doorgezet, zonder dat iemand aan de top daar ook maar iets van afwist. Hussein Kamel kon dat doen door zijn ondergeschikten op straffe des doods een zwijgplicht op te leggen”.

Sabotageploeg

Daarmee kwam echter bepaald geen eind aan de Iraakse oorlog tegen UNSCOM. Dus besloot UNSCOM vanaf begin 1996 tot een andere aanpak. De inspecteurs hadden gemerkt dat als zij “gevoelige plekken” wilden onderzoeken, bij voorbeeld kazernes van de Republikeinse Garde of bepaalde ministeries, voortdurend dezelfde Iraakse officieren hetzij op hen letten, hetzij allerlei acties ondernamen om hun inspecties te saboteren.

De Rus Nikita Smidovitsj, die zich volledig onafhankelijk van zijn regering opstelt, en de Amerikaan Scott Ritter gingen niet langer op zoek naar de geheime wapens, maar probeerden erachter te komen hoe de circa duizend man tellende Iraakse sabotageploeg, bestaande uit speciaal uitgezochte officieren van de Republikeinse Garde en de inlichtingendiensten, was samengesteld. De vrachtauto's, die de militaire plaatsen verlieten, zodra de UNSCOM-inspecteurs eraan kwamen, hadden bijvoorbeeld steeds dezelfde nummerplaten, zoals bleek uit de luchtfoto's die de Amerikaanse U-2-vliegtuigen maakten.

Dit kat-en-muisspel, waarbij de kat steeds dichter bij het spek kwam, leidde tot steeds grotere nervositeit bij de Iraakse leiding. Want die duizend man sterke elitegroep is tevens Saddams belangrijkste lijfwacht. Saddam was er dan ook absoluut van overtuigd dat deze door UNSCOM verzamelde informatie naar de VS en uiteindelijk naar Israel zou worden doorgespeeld. Hetzelfde Israel, dat hij, blijkens de door UNSCOM gevonden documenten, in 1991 met chemische en biologische wapens van de kaart had willen vegen. Hij deed dat toen alleen niet omdat de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, James Baker, hem koeltjes had gewaarschuwd dat zo'n actie onbezonnen was en tot verpulvering van Irak en hemzelf zou leiden.

Ook de afgelopen maanden deed de altijd zo onvoorspelbaar genoemde Saddam wat zeer voorspelbaar was. Toen hij zich persoonlijk bedreigd voelde door het Who Is Who-onderzoek van UNSCOM, dreigde hij eerst de U-2-vliegtuigen neer te schieten en ontzegde hij vervolgens “de Amerikaanse spionnen van UNSCOM” de toegang tot Irak. Maar toen zijn Russische en Franse vrienden hem duidelijk maakten dat het de Amerikanen ditmaal ernst was en dat zij geen showbombardementen zouden uitvoeren, zoals in de voorgaande jaren, slikte hij zijn dreigementen in en besloot hij de volgende gelegenheid af te wachten.

De discussie wie in de Arabische wereld de beste dadels heeft, zal nooit helemaal worden afgerond. Zo zal het ook gaan met de zoektocht naar Saddams verboden wapens. Die zullen de UNSCOM-inspecteurs, zolang Saddam leeft en het lot van Irak bepaalt, blijven zoeken en nooit helemaal vinden. Pas als de Amerikaanse president zich realiseert dat hij UNSCOM niet tot in de eeuwigheid kan handhaven, waardoor Irak zijn massavernietigingswapens zal behouden, zal het gedaan zijn met Saddam. Dan zullen de VS met hem afrekenenen. Op voorwaarde dat zij een vervanger voor hem vinden - een gehoorzamere waakhond, die nu ijveriger dan ooit tevoren wordt gezocht.

Er zijn, zoals de Fransen, Russen en Arabieren terecht opmerken, vele dictators in de wereld, sommigen eveneens voorzien van massavernietigingswapens. Maar tot dusver heeft geen van hen die wapens stelselmatig gebruikt. De grote zorg van de beleidsmakers in Washington is dat de proliferatie van deze massavernietigingswapens eigenlijk niet meer te stoppen is. Dat maakt niet alleen de hele wereld een stuk onveiliger, maar brengt ook ernstige schade toe aan de macht en de status van supermogendheid Amerika.

De grote verdienste van Saddam is dan ook dat hij als afschrikwekkend voorbeeld kan dienen. Om zijn collega-dictators in de wereld ervan te overtuigen dat het uiteindelijk niet loont zijn daden te kopiëren.