Brussel zet terecht een rem op de tomeloze fusiegolf; Europa moet er niet alleen zijn voor de ondernemers maar ook voor de consument

De uitgevers Wolters Kluwer en Reed Elsevier verrasten deze week vriend en vijand met de mededeling dat hun voorgenomen samengaan van de baan is. 'Brussel' ligt dwars, wordt beweerd. Maar volgens Menno Tamminga moet die uitspraak met een korrel zout genomen worden.

Gansch het radarwerk staat stil Als Uw machtige arm het wil... Is Europees mededingingscommissaris K. van Miert de moderne versie van Albert Hahns tekening van de spoorwegarbeider die met gebalde vuist het 'kapitalistisch rapalje' een halt toeroept?

Van Mierts waslijst van bezwaren tegen de dominante marktpositie van een gefuseerd Wolters Kluwer en Reed Elsevier was deze week aanleiding voor de uitgevers hun samengaan af te blazen. Het is niet de eerste superfusie die op 'Brussel' zegt te struikelen. Accountants KPMG en Moret, Ernst & Young voerden het onlangs ook als argument aan. Hun fuserende concurrenten Coopers & Lybrand en Price Waterhouse gaan wel door en lijken het groene licht te krijgen.

De beweringen dat 'Brussel' dwarsligt mogen wat dat betreft met een korreltje zout worden genomen. Giganten fuseren is een onbeproefde opgave voor topmanagers. Opportunisme en opportunity liggen dicht bij elkaar. Ego's blijken op dit niveau, ondanks alle beloftes over de creatie van extra waarde voor aandeelhouders, de zegeningen voor klanten en de uitdaging voor hun medewerkers, een cruciale rol te spelen.

De fusie van de twee grootste Britse geneesmiddelenfabrikanten Glaxo en SmitKline Beecham ketste een paar weken geleden af op de verdeling van de topbanen. De beurskoersen kelderden en zo'n 40 miljard gulden pas gecreëerde waarde verdampte in luttele minuten in de financiële arena. Schadepost bij Wolters Kluwer en Reed Elsevier: ruim twee miljard gulden. Volledig voor rekening van de Elsevier-beleggers die hun koers 10 procent zagen dalen.

Opmerkelijk is het verschil in verantwoording tegenover de buitenwereld van de aankondiging van de fusie en de breuk. Het eerste werd uitgebreid toegelicht, bij de tweede kan er niet meer af dan een persbericht van een A4-tje. Het tekent de heersende vrees voor meer openheid in de top van het Nederlandse bedrijfsleven, die bij uitgevers nog dieper zit dan in andere bedrijfstakken.

Fusies zijn zo gewoon geworden, dat een mislukking tegenwoordig part of the deal is. Welke topmanager denkt nog aan aftreden na zo'n debacle, dat zijn bedrijf hoe dan ook schade toebrengt. Al was het maar omdat een mislukking een streep zet door een gekoesterd 'winaarsimago'. Een fusie moet echt schromelijk mislukken (BolsWessanen, KNPBT), wil het consequenties hebben.

De mislukte superfusies zijn nieuwe ijkpunten in de tomeloze reeks van steeds grotere fusies en overnames in het (inter)nationale bedrijfsleven. De aandrang om opeens zo snel mogelijk groter te worden komt in golven. Dit is de vierde. De eerste was rond de laatste eeuwwisseling, daarna in de jaren twintig (creatie Unilever), de jaren zestig (ABN, Amro, Akzo) en vervolgens vanaf 1985 de vierde (ABN Amro, Akzo Nobel). De samenklonteringen vallen steeds samen met ruim gedeelde zonnige (economische) verwachtingen, stijgende beurskoersen, goedkoop krediet en opvallend aanzien voor ondernemerschap en rijkdom.

Typerend voor deze vierde golf is het grensoverschrijdend karakter van de fusies en de brede maatschappelijke acceptatie, dat bedrijven handelswaar zijn geworden. Een onderneming is niet meer dan een min of meer toevallige portefeuille bedrijfseenheden die afhankelijk van het rendementsperspectief kunnen worden verkocht en opgekocht. Oppositie tegen die werkelijkheid is onzichtbaar.

Ondernemen is overnemen en de ondernemers profiteren met volle teugen van de nieuwe vrijheid. Dat hun (verkoop)acties in schril contrast staan tot de moderne managersmantra dat de medewerkers het meest waardevolle bezit zijn van hun ondernemingen, deert weinigen.

De accumulatie van kapitaal die zich nu voltrekt geeft aan dat K. Marx als kenner van het kapitalisme nog steeds schromelijk wordt onderschat. Net als heer Bommel: geld trekt geld aan. Ondernemers en financiers hebben de afgelopen vijftien jaar revanche genomen op de aanslag op hun winst en hun rendementen die in de jaren zeventig werden gepleegd door gierende inflatie en steeds hogere collectieve lastendruk.

Vanaf het midden van de jaren tachtig zijn de bordjes verhangen. Het grensoverschrijdende kapitaal en de grensverleggende ondernemers zetten nu hun stempel op de economie en op de samenleving. Financiële criteria zetten de toon: rendement, afrekenen, hoeveel stijgt de winst per aandeel?

De Europese koplopers in de fusiegolf zijn nu gestuit op hun eerste maatschappelijke barrière: het mededingingsbeleid in Brussel, dat zich tastenderwijs een positie moet veroveren in de ontketende financiële markten en het vrijgevochten bedrijfsleven. Geen eenvoudige opgave, gezien het feit dat in de meeste lidstaten, waaronder Nederland, het mededingingsbeleid nooit hoge prioriteit heeft gehad.

Van Miert weet zich bovendien een politieke kop van jut. Mededinging is mooi, maar nationale belangen worden door nationale regeringen op het hoogste niveau in Brussel vol overgave gepropageerd. Brussel heeft veel lobbyisten, maar weinigen werken voor consumentenbelangen.

De liberale maatschappelijke golf heeft concurrentie op de agenda gezet en ondernemers, die als geen ander juist van die neoliberale veranderingen hebben geprofiteerd, hebben dat te accepteren. In Amerika, de bakermat van de trust busters, gaat het ministerie van Justitie er harder tegenaan (Microsoft, fusies in de defensiesector).

De ondernemers hadden het kunnen zien aankomen. De moderne manager, die de belangen van zijn aandeelhouders hoog in het vaandel heeft, onderneemt niet meer kris kras door de economie. Hij zoekt een zo sterk mogelijke positie in een of hooguit enkele marktsegmenten.

In de markt voor gespecialiseerde informatie waar Wolters Kluwer en Reed Elsevier actief zijn, maar bijvoorbeeld ook onder accountants, is de concentratie van aanbieders al uitzonderlijk hoog. Mede in het licht van de vette marges van deze ondernemingen was een maatschappelijke reactie een kwestie van tijd. Van Mierts lijst van bezwaren is een signaal dat Europa niet alleen het Europa van de ondernemers, maar ook van de consumenten moet worden.

Dat Wolters Kluwer en Reed Elsevier niet eerst met Van Miert zijn gaan onderhandelen over diens bezwaren en de verplichte verkoop van activiteiten, onderstreept de broosheid van dit soort fusies. De strategische argumenten voor de fusie zijn zonder pardon overboord gezet.

Opeens draait alles weer om financiële criteria waaraan dankzij Van Miert niet meer kan worden voldaan. Struikelt de fusie van het decennium omdat de winst per aandeel niet, zoals beloofd, met 15 procent stijgt, maar slechts 12 procent? Het bevestigt de perceptie dat ondernemingen in deze periode van financiële uitbundigheid per saldo worden geleid ten behoeve van gewin op korte termijn.